U bent hier:Home Hoe werkt de Raad? Informanten
De Raad voor de Kinderbescherming voert jaarlijks zo’n 60.000 onderzoeken uit. Bij veel van deze onderzoeken worden informanten geraadpleegd.
Het doel van het onderzoek is om de problemen van het kind en zijn gezin te benoemen en oplossingen te vinden. Een medewerker van de Raad, de raadsonderzoeker, begint een onderzoek in het algemeen met gesprekken met de ouders en het kind. Dat geeft vaak al een goede indruk van de situatie. Als de raadsonderzoeker behoefte heeft aan aanvullende informatie, kan hij besluiten om informanten te benaderen. Meestal zijn dat personen die het kind of het gezin beroepsmatig goed kennen, zoals een leerkracht, huisarts of hulpverlener. Hun informatie stelt de raadsonderzoeker mede in staat om de situatie van het kind zorgvuldig in te schatten en de juiste conclusies te trekken. Ook kan daarmee het eventuele advies van de Raad goed onderbouwd worden.
Tijdens veel onderzoeken is de medewerking van informanten van groot belang. Maar de Raad is niet verplicht om informanten te raadplegen. Als het nodig is om informanten te benaderen, dan kan de Raad zelf beslissen wie geraadpleegd wordt. Het kan voorkomen dat de Raad besluit om een door de ouders voorgestelde informant niet te raadplegen. Of de Raad gebruikt de informatie van een informant uiteindelijk niet in het rapport. In deze gevallen moet de Raad in het rapport motiveren waarom dat niet gebeurd is.
De raadonderzoeker stelt de informant vragen die kunnen helpen om de situatie van het kind te beoordelen. De kern van de informatie die de informant verstrekt, wordt opgenomen in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. Vooraf legt de raadsonderzoeker het tekstgedeelte waarin de informatie is verwerkt aan de informant voor, ter goedkeuring. De cliënt weet meestal dat de informant geraadpleegd wordt. De informant is niet verplicht om mee te werken.
De raadsonderzoeker nodigt de informant in het algemeen telefonisch uit om als informant mee te werken aan een onderzoek. Hij legt de informant uit waarom hij hem benadert en vertelt wat het doel van zijn vragen is. Uit privacyoverwegingen kan de raadsonderzoeker informanten doorgaans beperkt informeren over de zaak die hij in onderzoek heeft. Het kan daardoor voorkomen dat de informant – ondanks zijn persoonlijke of professionele betrokkenheid – minder inzicht in de zaak krijgt dan de informant zou willen. Als de informant zijn medewerking wil verlenen, maakt de raadsonderzoeker met de informant een afspraak voor een gesprek.
De raadsonderzoeker vraagt de informant uitsluitend naar zijn mening over de situatie van het kind en het gezin. De vragen kunnen bijvoorbeeld gaan over de gezondheid van het kind, zijn gedrag of zijn schoolprestaties. De raadsonderzoeker vraagt de informant niet om te oordelen over het advies dat uitgebracht moet worden of over de beslissing die genomen moet worden.
Meestal stelt de raadsonderzoeker aan het eind van zijn onderzoek een rapport op. Hierin beschrijft hij het verloop van het onderzoek. De raadsonderzoeker geeft ook een samenvatting van zijn gesprek met de informant. Hij legt deze tekst ter goedkeuring aan de informant voor; onjuist weergegeven informatie wordt gewijzigd. Ook bevat het rapport een overzicht van de conclusies die de Raad uit het onderzoek heeft getrokken en het daaruit voortkomende besluit. De informant krijgt een afschrift van het gedeelte van het rapport waaraan hij heeft meegewerkt. Het is mogelijk dat aan de informant de afloop van het onderzoek dan wel het besluit wordt meegedeeld, tenzij de betrokkene daar bezwaar tegen heeft.
In principe meldt de Raad (vooraf) aan de cliënt dat een informant benaderd wordt. De Raad vindt het belangrijk dat de cliënt instemt met de medewerking van de informant, maar dat is niet noodzakelijk. In het belang van het onderzoek kan de Raad besluiten om informanten te raadplegen zonder toestemming van de cliënt. Het raadplegen van informanten met medeweten, maar zonder toestemming van de cliënt kan alleen als dit besluit gemotiveerd wordt en aan de cliënt meegedeeld. Het besluit en de motivatie worden ook in het rapport vermeld.
Omdat de informatie van de informant kan helpen om de situatie van het kind goed in kaart te brengen, hecht de Raad veel waarde aan zijn medewerking. De informant is echter niet verplicht om informatie te verschaffen. Hij kan zijn eigen afweging maken tussen het belang van het kind en zijn verantwoordelijkheid. Als de informant aarzelt om informatie te geven, kan hij dat vanzelfsprekend met de raadsonderzoeker bespreken.
Helaas komt het voor dat mensen zich onterecht voordoen als medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming. Als een informant twijfelt aan de identiteit van de persoon die zich als raadsonderzoeker voorstelt, kan hij contact opnemen met de locatie van de Raad in uw omgeving. De adressen staan ook op deze site. Vraag bij persoonlijk contact naar de legitimatiekaart van het ministerie van Justitie die iedere raadsonderzoeker bij zich hoort te dragen.
