Direct naar: Direct naar de inhoud - hoofdnavigatie - zoeken en sitemap
U bent hier:Home Over de Raad Feiten en cijfers
In Nederland leven zo’n 3,5 miljoen minderjarigen: kinderen en jongeren die nog geen 18 jaar oud zijn. Maar een klein deel van hen krijgt met de Raad te maken. Dat kan op de volgende manieren:
In 2012 voerde de Raad beschermingsonderzoeken uit naar de situatie van zo’n 19.700 kinderen en jongeren. Dat betekent dat er goed gekeken werd of er een beschermingsmaatregel nodig was en zo ja, welke. Een beschermingsonderzoek wordt in principe pas uitgevoerd na een melding door Bureau Jeugdzorg (BJZ) of het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Zo’n melding vindt plaats als BJZ of AMK vindt dat hulp op vrijwillige basis niet voldoende is of als zulke hulp wel nodig is, maar de ouders of een jongere er niet aan mee willen werken. Soms gaat het om acute noodsituaties. De Raad vraagt aan de kinderrechter een maatregel van kinderbescherming op te leggen. De rechter neemt hierover vervolgens een beslissing.
In 2012 verzocht de Raad de kinderrechter om zo’n 9.200 kinderen onder toezicht te stellen, maar ze wel thuis te laten wonen. De kinderrechter stelt dan een gezinsvoogd aan die meekijkt naar de opvoeding van het kind.
In circa 2.000 gevallen verzocht de Raad de kinderrechter om het kind niet alleen onder toezicht te stellen, maar het ook uit huis te plaatsen. Het kind wordt dan opgevangen in een (tijdelijk) pleeggezin of in een instelling voor jeugdzorg.
Ruim 1.500 keer verzocht de Raad de rechtbank om de ouders uit het ouderlijke gezag te ontheffen of te ontzetten.
In de overige gevallen (zo’n 7.000) adviseerde de Raad om geen kinderbeschermingsmaatregel op te leggen. Vaak is dat niet meer nodig, doordat de ouders tijdens het beschermingsonderzoek tot het inzicht komen dat het beter is om toch akkoord te gaan met hulp op vrijwillige basis.
In 2012 voerde de Raad zo’n 31.000 strafonderzoeken uit. Dat wil zeggen dat de Raad de situatie onderzoekt van een jongere van 12-18 jaar die verdacht wordt van een strafbaar feit. Dat is zo geregeld omdat er bij minderjarigen die het verkeerde pad opgaan, altijd gekeken moet worden naar de oorzaken en wat er zou moeten gebeuren om de jongere weer op het rechte pad te krijgen. De Raad kijkt dus nadrukkelijk ook naar de opvoedingssituatie van de jongere. De Raad rapporteert over het onderzoek aan de officier van justitie. Dat rapport bevat ook een advies over een passende straf aan de jongere, als die schuldig wordt bevonden. Daarbij wordt vooral rekening gehouden met ‘wat werkt’ om de jongere weer op het goede spoor te krijgen.
In 2012 kregen 14.450 jongeren van 12 tot en met 17 jaar een taakstraf. Dat kan een leerstraf zijn, een werkstraf of een combinatie van beide. De Raad coördineert de uitvoering van deze taakstraffen.
Als ouders gaan scheiden, kan de ontwikkeling van kinderen in de knel komen. Vooral als ouders ruzie blijven maken en er niet in slagen om goede afspraken te maken over waar de kinderen wonen en over de omgang met de kinderen. Komen ouders daar zelf niet uit, ook niet na bemiddeling door hulpverleners of mediators, dan zal de rechter moeten bepalen wat er met de kinderen gebeurt. De rechter kan in zo’n geval advies vragen aan de Raad. In 2012 kregen daardoor 5.200 kinderen met de Raad te maken.
Voor de Raad voor de Kinderbescherming staat het belang van de kinderen voorop. In principe houden na een scheiding beide ouders het gezag over hun kinderen. Ze blijven dus samen verantwoordelijk. De rechter kan de ‘uitwonende’ ouder in uitzonderlijke gevallen wel de omgang met het kind ontzeggen, maar dat kan alleen als er sprake is van een wettelijke ontzeggingsgrond. Dat is het geval als de omgang met de betreffende ouder ernstige risico’s oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, als de ouder kennelijk niet in staat is tot omgang met het kind of als het kind (ouder dan 12 jaar) zelf aangeeft dat het niet langer met de betreffende ouder wil omgaan.
Het is de verantwoordelijkheid van ouders zelf om de omgangsregeling goed uit te voeren. Soms krijgen ouders ruzie over de afgesproken regeling. De Raad voor de Kinderbescherming kan een onwillige ouder in dat geval niet dwingen om mee te werken aan de omgangsregeling. Ontevreden ouders kunnen wel opnieuw naar de rechter stappen om de omgangsregeling te veranderen of om een goede uitvoering van de omgangsregeling af te dwingen.
In Nederland doen jaarlijks enkele tientallen ouders afstand van hun kind. Ze geven aan dat ze het ouders gezag over hun kind niet willen uitoefenen. In dat geval doet de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek naar de situatie van het kind. Gaat het om minderjarige ouders (meestal de moeder), dan adviseert de Raad aan de kinderrechter hoe in het gezag van het kind kan worden voorzien. Gaat het om meerderjarige ouders, dan kan de Raad aan de rechter adviseren om de ouders te ontheffen uit het ouderlijk gezag. In de praktijk wordt het gezag dan overgenomen door een voogd bij een instelling voor voogdij. Die instelling zoekt voor het kind een veilige plek, meestal bij pleegouders.
De Raad heeft een taak in de screening van pleegouders. Het gaat om een eenvoudige screening op basis van het landelijke justitiële documentatieregister (uitsluiten van justitiële bezwaren) en de gegevens die bij de Raad zelf bekend zijn (uitsluiten van beschermingsproblemen). De Raad doet dus geen verder gezinsonderzoek bij aanstaande pleegouders. Jaarlijks screent de Raad zo’n 4700 potentiële pleegouders.
Als mensen een kind willen adopteren, voert de Raad een onderzoek uit naar de gezinssituatie. De zogenoemde ‘beschermingsfactoren’ en ‘risicofactoren’ worden in kaart gebracht. Het gaat bij adoptie namelijk om kwetsbare kinderen, die in een veilige en stabiele omgeving moeten kunnen opgroeien. Gaat het om een kind uit het buitenland, dan neemt de Centrale Autoriteit Interlandelijke Adoptie van het ministerie van Justitie een beslissing over de zogenoemde ‘beginseltoestemming tot adoptie’. De Centrale Autoriteit doet dat op basis van het onderzoek door de Raad. In 2012 deed de Raad voor de Kinderbescherming zo’n 1350 gezinsonderzoeken bij aspirant adoptieouders.
Tenslotte krijgt de Raad ook vragen van kinderen die geadopteerd zijn en die willen weten wie hun biologische ouders zijn. Kinderen hebben in Nederland recht op die informatie. Is er in de archieven van de Raad iets te vinden over hun afstamming, dan krijgen kinderen die informatie. In 2012 ging het om circa 100 kinderen.