U bent hier:Home Over de Raad Jaarberichten Jaarbericht 2009 Beschermingszaken
Bij beschermingszaken onderzoekt de Raad voor de Kinderbescherming of de ontwikkeling van een kind wordt bedreigd en of er een kinderbeschermingsmaatregel nodig is om die bedreiging af te wenden.
De Raad doet dat over het algemeen na een melding vanuit Bureau Jeugdzorg (BJZ) en meer specifiek van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK, onderdeel van Bureau Jeugdzorg). Daarnaast kan ook een strafzaak tegen een jongere leiden tot een beschermingsonderzoek.
Bij BJZ kunnen ouders, burgers en instanties terecht met hun zorgen over kinderen en gezinnen. BJZ kijkt of een gezin hulp nodig heeft en biedt die hulp aan. Als BJZ constateert dat ouders of verzorgers dringend hulp bij de opvoeding nodig hebben maar die hulp weigeren, kan BJZ dat melden bij de Raad. De Raad voert vervolgens een eigen onderzoek uit naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel. Zo nodig vraagt de Raad vervolgens aan de rechter om een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen. De meest voorkomende maatregel is de ondertoezichtstelling (OTS). Die beperkt het gezag van de ouders, zodat een gezinsvoogd de noodzakelijke hulp op gang kan brengen. In een acute noodsituatie vraagt de Raad de kinderrechter direct om een voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS) met een machtiging uithuisplaatsing. Meestal wordt het kind daarna onmiddellijk uit huis geplaatst en vindt daarna het onderzoek plaats.
Als ouders niet in staat zijn hun kinderen zelf op te voeden kan ontheffing van het gezag gevraagd worden en in de ernstigste gevallen van verwaarlozing, mishandeling of verlating van kinderen zelfs een ontzetting uit het gezag. In crisissituaties vraagt de Raad dan alvast bij de rechtbank een voorlopige voogdij aan. Meestal krijgt Bureau Jeugdzorg dan de voogdij. De Raad heeft ook een toetsende taak bij de beëindiging van ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen.