De Raad voor de Kinderbescherming in het vreemdelingenrecht

In de media en politiek is momenteel veel aandacht voor het asielbeleid en minderjarigen in de vreemdelingenprocedure. De Raad voor de Kinderbescherming krijgt verschillende vragen over de rol van onze organisatie in de vreemdelingenprocedure. In dit bericht wordt hier meer informatie over gegeven.  

De Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) komt op voor elk kind dat in Nederland verblijft van wie de ontwikkeling en opvoeding gevaar loopt. Dat geldt dus ook voor kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en hier wel, met of zonder verblijfsvergunning, wonen.

Kinderen hebben gelet op het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid. Wanneer het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de ouders de verantwoordelijkheid niet (meer) naar behoren kunnen of willen vervullen, ook niet met steun van het sociale netwerk en hulpverlening, dient de overheid maatregelen te nemen om de bescherming van de genoemde rechten van het kind te waarborgen.

De RvdK is een  uitvoerings- en overheidsorganisatie van het ministerie van Justitie en Veiligheid.  De taken en bevoegdheden van de RvdK vloeien onder meer voort uit internationale verdragen en zijn neergelegd in nationale wetgeving waaronder het Burgerlijk wetboek (artikel 1:238 BW).  De RvdK onderzoekt in zijn beschermingsonderzoek met het kind, ouders en netwerk wat de zorgen en krachten zijn, wat er moet gebeuren en wat de mogelijkheden van ouders en netwerk zijn om de zorgen weg te nemen.  Op basis van de informatie uit het onderzoek komt de RvdK tot conclusies. De RvdK verzoekt indien nodig de rechtbank om een kinderbeschermingsmaatregel, bijvoorbeeld  een ondertoezichtstelling.

In deze conclusies formuleert de RvdK welke doelen voor het kind behaald moeten worden om de zorgen af te wenden en wat de ouders moeten doen om dit te bereiken. Deze doelen moeten altijd betrekking hebben op (de opvoeding van) het kind waarmee de risico’s met betrekking tot de veiligheid en ontwikkeling worden weggenomen. Indien de RvdK een maatregel verzoekt dan zullen de doelen het aanknopingspunt zijn voor de gecertificeerde instelling (GI) om met het gezin aan de slag te gaan. Zolang de doelen niet worden behaald wordt de ondertoezichtstelling niet afgesloten. Indien de GI de maatregel wil beëindigen dan toetst de RvdK  wat het beëindigen van de maatregel betekent voor het kind en of aan de doelen is voldaan. Het gaat niet om een evaluatie van het werk van de jeugdbeschermer, maar om het met afstand, kennis en kunde beoordelen wat voor dit kind nu het beste vervolg is.

gezin bij Ter Apel

Zo was de RvdK ook betrokken bij de zaak van Lili en Howick, twee kinderen die in Nederland verbleven zonder verblijfsvergunning en zonder gezaghebbende ouder. Hun moeder was uitgeprocedeerd en kort daarvoor, zonder haar kinderen, uitgezet door Dienst Terug& Vertrek (DT&V) naar Armenië, het land van herkomst. De kinderen verbleven zonder verzorgende ouder in Nederland. Omdat de kinderen in een kwetsbare situatie verkeerden, werden de kinderen bij de RvdK gemeld en heeft de RvdK een kinderbeschermingsmaatregel verzocht bij de kinderrechter. Ook heeft de RvdK een toetsende taak verricht en onderzoek gedaan naar gezagsbeëindiging van moeder (dat vaak plaatsvindt na een periode van ondertoezichtstelling).

Voor de RvdK staat het belang  van het kind voorop. Dit belang is in de vreemdelingenprocedure één van de te wegen belangen in de totale belangenafweging bij de verblijfsbeslissing. De zwaarte die het belang van het kind bij de belangenafweging door de Immigratie-en Naturalisatiedienst (IND) moet krijgen is afhankelijk van het individuele geval en de omstandigheden die daarbij spelen. Er moet daarbij een fair balance ontstaan tussen het belang van de vreemdeling en de staat. Dat maakt dat beslissingen op grond van het vreemdelingenrecht dominanter kunnen zijn dan het jeugdrecht.  De bestuursrechter toetst enkel of de IND het belang van het kind in de motivering heeft betrokken in de algehele belangenafweging (marginale toets) terwijl de kinderrechter in civiele procedures het belang van het kind centraal zet.   

Vanuit het perspectief van het belang van kinderen, is het onwenselijk dat de kinderrechter een ondertoezichtstelling uitspreekt en hiermee gedwongen hulp oplegt die in Nederland uitgevoerd wordt, terwijl op dat zelfde moment de vreemdelingenrechter bekrachtigt dat hetzelfde kind Nederland moet verlaten. De RvdK vindt dat kinderen niet in onzekerheid moeten leven en hun perspectief, of dat nu in Nederland of elders is, steeds duidelijk moet zijn.

Om tot  duurzame perspectieven voor kinderen in een vreemdelingenprocedure te komen is afstemming en overleg tussen de diverse uitvoeringsorganisaties van Justitie en Veiligheid nodig. Om die reden zijn RvdK, IND en DT&V gaan samenwerken met als doel om het belang van het kind in vreemdelingrechtelijke procedures zo zorgvuldig mogelijk te  wegen en duurzame oplossingen voor een stabiel toekomstperspectief van het kind te vinden.  De RvdK wisselt onder andere inzicht en tools uit met de IND over concretisering van het belang van het kind en kennis over vreemdelingen- en kinderbeschermingsrecht. Deze samenwerking zorgt echter niet voor verkorting van de procedures. Daarbij betekent een zorgvuldigere weging van het belang van het kind  niet automatisch dat dit belang zwaarder weegt. Hierdoor kunnen de rechtsgebieden in een aantal gevallen blijven schuren.