Het onzichtbare kind. Het verhaal van Stefanie

De 35-jarige Stefanie groeide samen met haar zus en broer op in een gezin met gescheiden ouders. Haar ouders gingen uit elkaar, maar de strijd bleef. Er waren veel spanningen thuis, Stefanie werd geslagen en zij probeerde meerdere keren van huis weg te lopen. Op 12-jarige leeftijd werd zij, met behulp van Bureau Jeugdzorg, uit huis geplaatst. Zij had in haar jeugd één doel voor ogen: studeren en zo snel mogelijk zelfstandig wonen. Ruim twintig jaar later is ze teruggekeerd naar haar geboortedorp in Brabant waar ze samen met haar man en twee zoontjes woont. Stefanie heeft gestudeerd en is jarenlang werkzaam geweest in de jeugdzorg. Dit is haar verhaal.

Er gaat iets ergs gebeuren

Ik heb weinig herinneringen aan de tijd dat mijn ouders nog samen waren. Ik weet nog dat mijn ouders ruzie hadden. We zagen het gebeuren en hoorden alles, ook die keer dat mijn vader mijn moeder van de trap duwde. Ik dacht: ‘Ik moet mama gaan helpen’, maar mij werd gezegd dat ik niets mocht doen.

Mijn vader en moeder zijn na een huwelijk van ongeveer 9 jaar uit elkaar gegaan, ik was toen 5 jaar oud. We zaten met mijn vader aan de eettafel en mijn vader vertelde dat papa en mama gingen scheiden. Ik vond het maar een ingewikkeld woord en begreep het niet. Wel begreep ik dat het verdrietig was, want mijn broer moest huilen. Er gaat iets ergs gebeuren, maar ik wist niet wat. Er volgde een laatste dag met mijn vader, ik voelde me verdrietig, maar ik mocht niet huilen. Het moest een gezellige dag worden. Dit was heel verwarrend voor mij, want het voelde allesbehalve gezellig. Mijn vader vertrok naar mijn opa en oma. Het zou drie jaar duren voordat ik hem weer zou zien. Het is voor mij nooit duidelijk geworden wat de reden is geweest van de scheiding. Mijn broer was vooral boos op mijn vader en mijn zus heeft zich enorm verlaten gevoeld na het vertrek van onze vader.

Ik dacht: ‘Ik moet mama gaan helpen’, maar mij werd gezegd dat ik niets mocht doen.

Wees lief voor je moeder

We gingen verhuizen; van een koophuis naar een sociale huurwoning. Gelukkig kon ik op dezelfde school blijven. Ik heb veel negatieve herinneringen aan dit huis. Mijn moeder was overbelast. Ze lag vaak met verdriet op de bank. Ik kan me vooral haar boosheid herinneren en hoe zij dit op ons afreageerde. Ze ging regelmatig ‘uit haar plaat’; schreeuwen, gooien, schoppen, slaan.

Mijn broer, zus en ik werden geslagen door onze moeder. Mijn broer en zus hebben de meeste klappen gekregen, misschien omdat ze ouder waren. Ik hoorde aan haar manier van lopen dat ze boos was en was altijd erg op mijn hoede. Mijn broer en zus sloten een bondje met elkaar, misschien wel omdat ik goed kon leren op school en geen problemen veroorzaakte. Ik voelde me vaak buitengesloten en heb in deze periode geleerd te overleven in plaats van leven.

Mijn oma zei tegen mij dat ik vooral lief moest zijn voor mijn moeder. Dit heb ik goed tussen mijn oren geknoopt en vervolgens altijd gedaan. Ik hield me thuis zo rustig mogelijk en probeerde mijn moeder niet tot last te zijn. Wat ik moeilijk vind is dat mensen vooral gezien hebben hoe moeilijk mijn moeder het had. Maar waren er ook mensen in mijn omgeving die zich afvroegen hoe moeilijk het voor ons als kind zijnde was? We kregen hulp, vooral gericht op praktische zaken. Ook kreeg mijn moeder opvoedingsondersteuning. Het RIAGG werd ingeschakeld, want het ging niet goed met mijn broer. Er werd, als oudste kind in huis, een groot beroep gedaan op hem.

De gezinshulp had geregeld dat we taken in huis kregen; de tafel dekken, afruimen en de keuken schoonmaken. Ik was vaak uren bezig om dit voor elkaar te krijgen, ik wist, als 9-jarig meisje, niet hoe ik dit efficiënt- en netjes kon aanpakken.

Scheiding

Je gaat je vader weer zien

Het duurde drie jaar voordat ik mijn vader weer zag. In deze periode is de strijd tussen mijn ouders over de omgang met de kinderen ontstaan. Mijn ouders hadden geen contact met elkaar. Onderling spraken we nooit over de ingrijpende gebeurtenissen. Ieder in het gezin hield dit voor zich en je moest het zelf maar een plek zien te geven.

Op een dag kreeg ik te horen dat mijn vader contact zocht met ons, hij wilde omgang met zijn kinderen en had dit via de rechter verzocht. Ik was 10 jaar oud en er kwam een mevrouw van de Raad voor de Kinderbescherming bij ons thuis om met ons te praten. We gingen op mijn slaapkamer zitten. De vrouw sprak mijn zus en mij gezamenlijk. Mijn zus gaf antwoorden op de vragen en ik knikte af en toe. Ik was vooral bezig met het bestuderen van deze vrouw met haar nette jasje.

De rechtbank besloot dat we omgang kregen met mijn vader. Eén keer in de zes weken zag ik mijn vader op een zaterdag. Deze dagen waren gezellig. Tussen mijn ouders bloeide de liefde weer op. Ze kwamen weer bij elkaar. Dit voelde voor mij heel dubbel; aan de ene kant vond ik het heel leuk dat ze weer samen waren en aan de andere kant zag ik dat hun aandacht vooral uitging naar elkaar. Ik voelde me een achtergrondspeler in hun verhaal. Al snel liep de relatie weer stuk. Mijn moeder kreeg een nieuwe vriend.

Tijdens een vakantie met mijn vader, werd er met hem een plan gemaakt om bij onze moeder thuis weg te lopen om bij hem te gaan wonen. Ondanks dat we dit hadden afgesproken, kón ik me niet committeren aan het plan omdat ik het zielig vond voor mijn moeder als we allemaal weg waren. Mijn moeder kwam erachter en ze werd woest. Ze raakte in gevecht met mijn broer. Hij is gevlucht naar mijn vader en nooit meer teruggekeerd. Mijn zus en ik bleven bij onze moeder wonen, ik heb hierna mijn broer en vader jarenlang niet gezien. Mijn broer heeft via school destijds nog geprobeerd om contact met ons te krijgen, maar dit is niet gelukt. Mijn broer is met een voorlopige ondertoezichtstelling uit huis geplaatst bij onze vader, er kwam een rechtszaak over alle spullen en er brak een tijd aan met heel veel (juridische) strijd tussen mijn ouders. Mijn broer is na een poosje ook weggelopen bij mijn vader.

We gaan verhuizen

Ik zat in groep 8 en we gingen weer verhuizen. We trokken in bij Adriaan, de vriend van mijn moeder. Ik ging naar een andere school toe. Zijn volwassen kinderen zaten niet te wachten op gezinsuitbreiding. Ik en mijn zus moesten ons inpassen in het nieuwe leuke plaatje. In werkelijkheid leefden we langs elkaar heen. Ik was het liefste op mijn eigen slaapkamer en speelde eindeloos lang met mijn poppen om zo een eigen verhaal te maken en een eigen fijne wereld te creëren. Dan hoefde ik me niet af te vragen wat me stond te wachten, maar kon ik het zelf bedenken.

Mijn moeder sloeg ons nog steeds. Dit deed zij buiten het zicht van Adriaan om. Ze sloeg mijn zus vaker dan mij, maar ook als ik het niet goed deed in haar ogen, kreeg ik klappen. Bijvoorbeeld als ik de pannenkoeken niet goed had gebakken of als ik een huishoudelijke klus niet goed had uitgevoerd.

Ik was 14 jaar oud en aan het aftellen tot ik zelfstandig kon gaan wonen. Ik had niets meer te halen bij mijn moeder en Adriaan. Mijn zus en ik maakte een plan om weg te lopen. Mijn zus had contact gelegd met Bureau Jeugdzorg. Er zou op school een gesprek plaatsvinden. Ik had mijn kat naar een vriendinnetje gebracht, ik had al mijn schoolboeken naar school gebracht, kleding ingepakt en ik wist dat ik aan het einde van de schooldag niet meer naar huis toe hoefde. Tijdens het gesprek vertelde mijn zus en ik hoe het er thuis aan toe ging. De mevrouw van Bureau Jeugdzorg gaf in het gesprek aan dat er voor die avond geen plek was. We moesten terug naar huis. Een week later was er wel plek, we zijn toen apart van elkaar in een crisisopvang voor meiden geplaatst. Het apart van elkaar geplaatst worden was niet vervelend.

Ik had behoefte aan rust, maar moest in gesprek met de groepsleiding over alles wat er was gebeurd. Ik was daar nog niet aan toe. Ik keek mijn ogen uit op de groep. Ik was het jongste meisje en de enige die naar het VWO ging. Om me heen waren meisjes die slachtoffer waren van loverboys en er was een Marokkaans meisje dat op de groep zat vanwege een eerwraakkwestie. Ik wilde graag weten hoe het er in andere gezinnen aan toe ging, ik wilde weten wat normaal was en wat niet. Ik was een meisje dat ‘de kat uit de boom keek’, ik aanschouwde vaak het geheel en trok mijn eigen plan in de gekke wereld om mij heen.

Ik was 15 jaar oud en had geen vaste plek om te wonen. Als tussenoplossing ben ik bij iemand in ons netwerk gaan wonen. Ik durfde geen contact meer met mijn vader te zoeken, omdat hij erg teleurgesteld was dat ik niet meteen bij hem ging wonen. Dit contact is toen verbroken geraakt. Mijn zus en ik gingen weer bij onze moeder wonen.

De situatie thuis verslechterde opnieuw. Ik nam mijzelf voor; ‘als ze me nog één keer slaat, dan loop ik weer weg’. Toen ze me nog een keer had geslagen nam ik het besluit om Bureau Jeugdzorg te bellen. In gesprek met Bureau Jeugdzorg gaf mijn moeder aan dat ze het verhaal dat ik had verteld, niet herkende en ze erkende de zorgen ook niet. Ik had aangegeven dat ik weg wilde. Hierover was de hulpverlener het met me eens; ik moest uit huis. De hulpverlener ging weg en ik bleef achter bij mijn moeder. Ik moest mijn spullen gaan pakken, moest mijn kamer nog opruimen en mocht me daarna gaan melden bij de leefgroep waar ik met de bus naar toe ging. Deze situatie voelde heel ongemakkelijk, emotioneel onveilig en verdrietig voor me. Op de leefgroep die volgde mocht ik drie maanden wonen. De termijn liep af en mijn moeder gaf geen toestemming voor een vervolgplek. Ik ging naar een meidengroep waar ik me niet veilig voelde. Er werden spullen van me gestolen, maar ik mocht hier vooral niet boos om worden. Ik was overspannen en zó moe. Ik had alleen maar behoefte aan rust.

Doel bereikt

Ik zat inmiddels in klas 5 VWO, maar ging het eerste half jaar bijna niet naar school toe. Ik kreeg weer contact met mijn vader en koos ervoor bij hem te wonen bij gebrek aan een alternatief. Ik was al vrij zelfstandig; had een bijbaan, ging mijn eigen gang en wilde mijn diploma halen. Voor mijn vader was dit moeilijk, hij wilde voor mij zorgen, maar voor mij kwam dit te laat. In 1,5 jaar heb ik mijn Havo- diploma gehaald en vervolgens ging ik studeren in Groningen. Ik had mijn doel bereikt; zelfstandig wonen.

Tijdens mijn studententijd heb ik psychologische hulp gezocht om mijn verleden beter te begrijpen en te kunnen verwerken. Ik ben na mijn studie toch gaan werken in de Jeugdzorg. Ik merk dat de ervaringen uit mijn eigen jeugd mij hebben geholpen in dit vak. Het lukt me goed om me te verplaatsen in kinderen; je écht te verdiepen in diegene die tegenover je zit. Inlevingsvermogen tonen om gezinssituaties te begrijpen en te zien wat er nodig is voor een kind, ook al zit het in details; dit kan van groot belang zijn voor een kind. Maatwerk vind ik hier bij heel belangrijk; doen wat het kind nodig heeft. Ook het doorvragen en moeilijke onderwerpen bespreken is belangrijk. Duidelijkheid geven aan een kind, ook al is het geen leuke boodschap. Vertellen wat er aan de hand is; wat er gaat gebeuren en waarom. Ik had als kind veel behoefte aan duidelijkheid en kreeg deze niet altijd. Ook had ik altijd door als hulpverleners niet goed doorvroegen.

De meeste rapporten uit mijn jeugd zijn vernietigd. Ik had ze graag willen lezen om het verleden te kunnen reconstrueren. Het zou mooi zijn als de Raad voor de Kinderbescherming je een brief stuurt wanneer de bewaartermijn van het dossier is verlopen en of er behoefte is aan inzage. In sommige rapportages las ik stukken terug waarvan ik me afvroeg of dit meerwaarde had; niet alles wat gezegd wordt hoeft in een rapportage terug te komen. Het kan soms pijnlijke gevolgen hebben.

Life goes not backwards!

Onze ouders hebben geen contact met elkaar. Ik heb wel contact met mijn ouders en met mijn zus. Mijn vader past een vaste dag per week op mijn kinderen. Onze band is sterker geworden de afgelopen jaren. Ik zou niet zonder hem kunnen. Het contact met mijn moeder is na enige jaren hersteld. Ik heb een manier gevonden om met haar om te gaan die voor ons allebei werkt en die de situatie rustig houdt. Nu ik zelf moeder ben, kan ik me moeilijk voorstellen dat je je kinderen liefde onthoudt. Het contact tussen mijn zus en mij is goed. Ze heeft een gezin en het gaat goed met haar. We hebben allebei geen contact meer met onze broer. Met hem gaat het niet goed; het lukt hem maar moeilijk om zijn gevoelsleven op de rit te krijgen.

Ik weiger een slachtoffer zijn van de nare dingen die ik heb meegemaakt in mijn leven. Ik heb altijd een plan gemaakt voor mijzelf om vooruit te komen in het leven en dat is gelukt. ‘Life goes not backwards’, de toekomst; daar gaat het om!

In deze interviewreeks vertellen mensen op persoonlijke titel het verhaal over hun jeugd. Centraal hierin staan hun ervaringen met de jeugdhulpketen. Sommige ervaringen zijn goed, sommige minder, sommige slecht. Deze interviews zijn bedoeld om de stem van het kind te laten horen, en om te leren van hun ervaringen. Zowel de goede als de slechte. Ten behoeve van de privacy van de geïnterviewde zijn namen en sommige details geanonimiseerd.

Geschreven door: Andrea Stok