Weblog

Balans tussen compassie en controle

Enige tijd geleden speelde in het oosten van het land een zaak van vermoeden van kindermishandeling waarbij twee broertjes van 2 en 6 betrokken waren. Bij het jongste jongetje was meerdere malen lichamelijk letsel geconstateerd. De reden voor de betrokken hulpverleners om de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken tot een onderzoek, was een gebroken bovenbeen van de 2-jarige, waar de ouders geen duidelijke verklaring voor konden geven. Zijn deze ouders in staat om een veilige omgeving voor hun twee zoontjes te bieden of niet?

Het jongetje lag met de breuk in het ziekenhuis. Omdat er geen medische noodzaak was om hem daar te houden, was het noodzakelijk dat snel duidelijk werd of hij veilig naar huis terug kon. Vaak wordt in dit soort situaties besloten om het kind tijdelijk in een crisispleeggezin te plaatsen. Maar is dat echt in het belang van dit kind?

Omdat bij de Raad ervaring is opgebouwd met het betrekken van het netwerk, hebben we het initiatief genomen om iedereen om tafel te zetten en het gesprek aan te gaan over de veiligheid van het jongetje na ontslag uit het ziekenhuis. Bij deze ontmoetingen waren zowel de hulpverlenende instanties als het sociale netwerk van de ouders betrokken. De raadsonderzoeker zag een andere kant van het verhaal: er was ook veel liefde en warmte in het gezin aanwezig. Maar op basis van enkel deze observatie konden wij niet de veiligheid van dit jongetje garanderen.

Sociaal netwerk

We hebben toen een ondergrens voorgesteld, die inhield dat de ouders niet alleen zouden zijn met hun zoontjes. Bij toerbeurt zou er dag en nacht iemand uit het sociale netwerk aanwezig moeten zijn, zodat er meer onderzoek door ons gedaan kon worden zonder de kinderen uit huis te plaatsen. Dit zorgde voor veel weerstand. Het waren pittige gesprekken, waarbij we telkens weer dachten, doen we hier goed aan? Moeten we niet kiezen voor een tijdelijk pleeggezin en dan de tijd nemen om onderzoek te doen? De andere gedachte was: wat betekent het voor de ontwikkeling van deze kinderen van 2 en 6 jaar oud als ze in een onbekende omgeving worden geplaatst? Het was duidelijk dat de twee zoontjes gehecht waren aan hun ouders en bescherming bij hen zochten.

In dit geval hebben we de ouders voor de keuze gesteld: we maken samen een plan waar iedereen achter kan staan, of de zoontjes gaan alsnog naar een pleeggezin. De angst om hun kinderen uit huis geplaatst te zien, gaf de ouders veel motivatie om met hun netwerk een plan te maken waar iedereen achter kon staan. Het gezin is bij opa en oma gaan inwonen en wij hebben samen met de hulpverlenende instantie contact met deze familie gehouden. Tijdens de onderzoeksperiode hebben we onderzoek aangevraagd bij de Forensische Polikliniek Kindermishandeling en daaruit kwam geen duidelijke oorzaak van de breuk naar voren. Het veiligheidsplan is tijdens het onderzoek langzaam versoepeld en uiteindelijk is de gedwongen hulp na een half jaar beëindigd.

Eeuwig dilemma

Heeft de Raad hiermee de juiste afwegingen gemaakt? Dat weten we eigenlijk pas als de jongens ouder zijn en op een enigszins warme en stabiele jeugd kunnen terugkijken. De balans vinden tussen controle (dit mag niet nog een keer gebeuren) en compassie blijft het eeuwige dilemma van Raadsmedewerkers.

Het inzetten van de eigen kracht van deze familie en hun netwerk, sluit naadloos aan bij de essentie van de nieuwe Jeugdwet die afgelopen januari is ingegaan. Wat kunnen gezinnen, samen met mensen om hen heen zelf organiseren om tot een oplossing te komen? De Raad voor de Kinderbescherming en Nederlandse gemeenten zijn hierin belangrijke partners van elkaar geworden. Want gemeenten zijn verantwoordelijk voor het veilig laten opgroeien van ‘hun’ kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming staat gemeenten bij met advies en onderzoek als er ernstige zorgen zijn over de opgroei- en opvoedsituatie van een kind, en adviseert de rechter of gedwongen hulp nodig is. Waarom doet de raad dit? Ingrijpen in het leven van kinderen en ouders is een zwaar middel, daar ga je niet lichtzinnig mee om. De Raad waarborgt als onafhankelijke organisatie de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van kinderen. Het uitgangspunt is altijd dat een kind er het meest bij is gebaat om op te groeien in de warmte van het eigen nest. Als het echt niet anders kan, pakt de Raad door en neemt maatregelen zoals een uithuisplaatsing of onder toezichtstelling. Ingrijpen wanneer het echt niet anders kan. Dat is in essentie het werk van de Raad voor de Kinderbescherming. Door de kennis die we hebben opgebouwd, zijn we zeer goed in staat om gemeenten bij te staan en onafhankelijk te adviseren over dit soort lastige gevallen, waarbij niet meteen helder is of ingrijpen echt nodig is.

Die ene vraag

Mijn eerste 100 dagen als directeur van de Raad voor de Kinderbescherming zitten er op. Wat vooral indruk heeft gemaakt, zijn dit soort moeilijke afwegingen en dilemma’s waar raadsonderzoekers dagelijks mee bezig zijn. Geen enkele geschiedenis is hetzelfde. Samen met gemeenten en hulpverleners moeten we iedere zaak op zich bekijken, of het nu gaat om strafzaken waar minderjarigen bij betrokken zijn, moeizame scheidingen van ouders, adoptie of vermoedens van kindermishandeling. Waarbij we allemaal bezig zij met het beantwoorden van die ene vraag: wat is in het belang van dít kind?

Dit bericht is eerst verschenen als column in Binnenlands Bestuur.