“Wij gaan niet over schuldig of niet schuldig”

Na een afgeronde studie Maatschappelijk Werk en Dienstverlening werkt Thijs* nu drie jaar als raadsonderzoeker in de stad Utrecht. Hij richt zich voornamelijk op zaken voor jongeren van 12 tot 18 jaar. Dat vindt hij het interessantst. Zijn studieachtergrond komt daarbij goed van pas. ”Dat beide ouders op kantoor komen, maak ik niet zo vaak mee.”

“Met 28 jaar ben ik de jongste van ons team en ik denk dat ik daardoor goed met de jongeren kan ‘connecten’. Omdat je zelf jong bent, kun je beter aansluiten bij hun belevingswereld en een goed gesprek met ze voeren. Dat had ik bij een zaak van een jongen van 17 die nog niet eerder in contact was geweest met de politie. Hij raakte binnen een half jaar drie keer betrokken bij een geweldsdelict, waaronder een vechtpartij. Ik heb hem gesproken op kantoor, zijn ouders waren er ook bij. Wat me is bijgebleven uit het gesprek is dat het eigenlijk een goede jongen is, een allemansvriend en heel sociaal, want hij wil voor anderen opkomen en heeft een groot rechtsvaardigheidsgevoel. Maar het was ook een jongen die zichzelf door zijn naïeve en impulsieve houding in de nesten werkte.”

Jongen in gesprek met leraar

Betrokken en benaderbaar

“Naast de ouders heb ik de mentor van zijn school en de wijkagent gesproken. Zijn mentor bevestigde het beeld dat ik had. De wijkagent vertelde dat de ouders heel betrokken en benaderbaar waren. Dat vind ik een geruststelling, dat de ouders de zaak serieus nemen en beschikbaar zijn voor politie en andere instanties om hun kant van het verhaal te vertellen. Dat beide ouders op kantoor kwamen, maak ik niet zo vaak mee. Meestal komt een van de ouders mee. Dat ze gezamenlijk kwamen, geeft aan dat ze betrokken zijn en balen van de situatie. Wel zagen ze aanvankelijk vooral de goede intenties van hun zoon en neigden ernaar zijn gedrag te bagatelliseren. Op zo’n moment moet je eerlijk zijn tegen de ouders: dat kan wel zo zijn, maar hij staat wel voor de kinderrechter. Je moet ouders meenemen, confronteren en uiteindelijk met ze in overeenstemming komen. Wij zoeken daarin naar een goede balans. We zijn er niet om geweldsdelicten goed te praten, maar  om te kijken naar de maatschappelijke schade en welke straf past bij de incidenten.”

Goede wil

“De ene keer is een zaak meteen duidelijk: dit advies gaat het worden. Bij deze jongen heb ik er een paar nachten over moeten slapen. En dan merk je hoe zo’n advies kan evolueren. Het plegen van drie geweldsdelicten in korte tijd is niet gering, maar bij deze jongen vond ik een werkstraf niet passend. Hij is impulsief, maar had goede bedoelingen. Dan kan het averechts werken om een jongen af te straffen. Daarom adviseerde ik een leerstraf. Een programma met een trainer waarin hij in acht bijeenkomsten vaardigheden leert, zoals nee zeggen tegen vrienden of hoe je ruzies kunt oplossen. Ik denk dat het gelukt is deze jongen zo te helpen. Hij was echt bang dat hij een werkstraf zou krijgen, maar gaandeweg raakte hij steeds gemotiveerder voor die leerstraf. Ik probeer hem daarin mee te krijgen, zodat hijzelf de meerwaarde zo’n straf inziet. Wij gaan niet over schuldig of niet schuldig. Wij adviseren vooral wat deze jongen nodig heeft om niet nog eens bij de politie terecht te komen. Daar hebben we allemaal iets aan.”

*Deze naam is om privacyredenen gefingeerd. De werkelijke naam is bekend bij de RvdK.