Raadsonderzoeker Niels: “Met een goed strafadvies beschermen we kinderen”

Niels is sinds 2014 werkzaam als raadsonderzoeker in Rotterdam. In zijn dagelijks werk focust Niels zich vooral op onderzoeken naar minderjarige daders van strafbare feiten, zoals straatroven, geweldpleging en inbraken. Zijn taak is advisering aan de rechtbank vanuit pedagogisch oogpunt.  

Drijfveren

“Voordat ik bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) kwam, werkte ik in de jeugdhulpverlening met jongeren met gedragsproblemen. Ik was toe aan een andere uitdaging, maar wel vanuit dezelfde persoonlijke drijfveren: maatschappelijke betrokkenheid en de wil om de veiligheid in de samenleving te vergroten. Deze elementen vind ik terug in bij de RvdK. Ik doe vooral strafonderzoeken en kinderbeschermingsonderzoeken. Wij kijken goed naar wat een minderjarige nodig heeft, zodat hij of zij niet nogmaals een delict zal plegen. Zo proberen we het kind te beschermen, en tegelijkertijd vergroten we daarmee de veiligheid van de samenleving. Dat vind ik het mooie aan dit werk.”

Uitdagingen

“Onze taak is het geven van een advies waar de hulpverlening mee verder kan. De RvdK geeft onafhankelijk adviesWe maken een momentopname van de situatie met als uitgangspunt: wat is nu nodig voor dit kind? Dat vind ik prettig, want het geeft houvast en kader. Tegelijkertijd is mijn werkdag zeer afwisselend en nooit volledig van tevoren te plannen. Gesprekken met ouders en jongeren zijn heel concreet, terwijl het rapporteren vraagt om een analytische blik.

“De uitdaging is om de juiste route te vinden, met als primair uitgangspunt het belang van het kind.”

Voor dit werk moet je in ieder geval stevig in je schoenen staan. De jongeren komen hier niet voor niets. Daarnaast heb je regelmatig te maken met ouders die niet willen of kunnen meewerken. Het is weleens lastig als er jongens – want ik spreek voornamelijk jongens in strafzaken - voor de zesde of zevende keer binnenkomen, inclusief een voorgeschiedenis van behandeling tot begeleiding. De uitdaging is om de juiste route te vinden, met als primair uitgangspunt het belang van het kind.”

Dilemma's

“Het kind staat centraal, maar we moeten bij strafonderzoeken ook kijken naar de maatschappij omdat we rekening hebben te houden met justitiële kaders en de impact van misdrijven op de samenleving. Dat brengt dilemma’s met zich mee en het vraagt om maatwerk.

Ouders vinden het nogal eens tegenstrijdig wanneer wij een bepaalde straf adviseren of wanneer wij adviseren dat een jongere in bewaring moet worden gesteld.‘Jullie zijn er toch om onze kinderen te beschermen?’ Is dan de reactie. Vanuit de optiek van de ouders betekent bescherming vaak dat hun kind naar huis komt of geen straf krijgt opgelegd, maar dat is niet altijd de beste route. Betrokken ouders kunnen soms het verschil maken. Zo was er een jongen met een gedragsstoornis die voor de derde keer in korte tijd met politie en justitie in aanraking kwam. Hij was zich bewust van zijn fouten, maar maakte telkens opnieuw impulsieve keuzes. Wij zouden dan kunnen adviseren om jeugdreclassering in te zetten met een verplichte behandeling. Door de lopende hulpverlening in kaart te brengen en doordat ouders zelf kwamen met een idee voor een passende behandeling was dat niet nodig. We adviseerden de kinderrechter om geen straf op te leggen, als hij zijn behandeling goed zou afronden. Dat advies werd overgenomen en hij is tot op heden niet nog bij ons teruggekomen.”

Maatwerk

“Waar mogelijk leveren wij maatwerk. Daarbij denk ik aan een groepsdelict waarbij wij advies moesten geven. Drie daders met verschillende achtergronden en allemaal een andere rol in de mishandeling van een leeftijdsgenoot. Er was sprake van openlijke geweldpleging en er werd gefilmd. Wij kwamen tot de conclusie dat zij alle drie iets anders nodig hadden. Het is gelukt om voor alle betrokkenen een traject op maat te maken, met drie verschillende strafadviezen. Dan kunnen we het verschil maken in levens van minderjarige daders. Juist voor jonge pubers geldt dat zij een tweede kans moeten kunnen krijgen, door middel van toezicht en begeleiding of training en behandeling.”

Samenwerking

“Ook al werk ik zelfstandig, toch adviseer ik nooit alleen. De zoektocht naar wat een kind nodig heeft kan een ingewikkelde puzzel zijn waarvoor ik regelmatig overleg voer met naaste collega’s. Daarnaast werk ik nauw samen met gedragsdeskundigen (orthopedagogen of psychologen), en waar nodig betrekken we juristen in ons advies. Ook spreken we externe partijen zoals de school, behandelaars van de GGZ of een gezinscoach. Gezamenlijk wegen we diverse belangen en mogelijkheden af om komen tot een goed besluit: dat wat nodig is voor dit kind. Dat maakt mijn werk zinvol.”