Raadsonderzoeker Lidewey: ‘Raadswerk is met niets te vergelijken’

Lidewey kwam ooit bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) binnen als stagiair en is daarna nooit meer weggegaan. Inmiddels werkt ze al 12,5 jaar als raadsonderzoeker, waarvan ze tien jaar in een spoedteam heeft gezeten. Nu dat team niet meer bestaat, houdt ze zich indirect bezig met spoedzaken. Bovendien heeft ze net zelf een stagiair begeleid. “Binnen het raadswerk zijn zoveel expertises waarin je je kunt ontwikkelen. Dat houdt het werk dynamisch.”

“De wens om kinderen te helpen heb ik eigenlijk altijd gehad. Dat zorgzame gevoel zit deels in mijn karakter (ik speelde vroeger dat ik mijn poppen redde uit moeilijke thuissituaties), maar heb ik ook zeker meegekregen van mijn ouders en omgeving. Toen ik klein was, woonden we een tijd in Zambia. Daar leerde ik dat sommige kinderen het niet makkelijk hebben, maar opgroeien in armoede en ellende. Via een vriend van mijn vader leerde ik de Raad voor de Kinderbescherming kennen. Hij is onlangs met pensioen gegaan – na 35 jaar bij de RvdK! Als hij bij ons was, vertelde hij soms over zijn werk. Dat vond ik boeiend. Vanaf toen wist ik dat ik ooit bij de RvdK wilde werken.”

Raadsonderzoeker Lidewey

“Binnen het raadswerk zijn zoveel expertises waarin je je kunt ontwikkelen. Dat houdt het werk dynamisch.”

Onvergelijkbaar

“De missie van de RvdK past goed bij mijn eigen visie. Ik geloof in de kracht van onderzoek en het juridische aspect erachter. Als raadsonderzoeker ben je geen hulpverlener, maar onderzoeker. Je maakt namelijk analyses, bedenkt een onderzoeksmethode en stelt een rapport op. Het is een misverstand dat je als raadsonderzoeker dagelijks klantcontact hebt. Je doet ook veel bureauwerk en daar moet je tegen kunnen. Maar juist dat onderzoekselement maakt de RvdK zo bijzonder. In de jeugdzorgketen is er geen andere instantie die op deze wijze (kort en intensief) onderzoek doet. De RvdK is echt uniek: er bestaat niets vergelijkbaars als het werk van een raadsonderzoeker.”

Robot

“In dit werk moet je kunnen schakelen tussen gevoel en verstand. Het ene moment doe je onderzoek, het andere voer je een gevoelig gesprek met kind en ouders. Daarom moet je als raadsonderzoeker altijd blijven voelen. Anders word je een robot en begrijp je niet wat er in kind en ouders omgaat. Als dat gebeurt, kun je dit werk volgens mij niet meer doen. Tegelijkertijd moet je jezelf ook in bescherming nemen tegen de emoties van ouders en kind en een bepaalde afstand tot hen bewaren. Want alleen dan kun je jouw advies zo goed en duidelijk mogelijk uitleggen. Hoe hard je ook probeert, soms gaan zaken toch onder je huid zitten. In zo’n geval is het fijn te weten dat er een traumapsycholoog in dienst is om mee te praten.”

Ruimte

“Sinds tweeëneenhalf jaar werk ik als ‘gewone’ raadsonderzoeker. Daarvoor zat ik tien jaar lang in een spoedteam. Dat deed ik graag, omdat ik in spoedsituaties het gevoel kreeg dat ik kinderen echt kon beschermen. Het spoedteam bestaat nu niet meer, maar ik heb andere manieren gevonden om met spoed bezig te kunnen zijn. Gelukkig maar, want dat blijft toch mijn expertise en dat is waar ik goed in ben. Zo ben ik naast mijn raadsonderzoek nu ook contactpersoon voor civiele spoedzaken, draai ik bureau- en bereikbaarheidsdiensten waar spoedzaken binnenkomen, ben ik voorzitter van vergaderingen over civiele spoedzaken en geef ik workshops over civiele spoedzaken. Het fijne aan de RvdK is dat dit allemaal mogelijk is: er is zoveel expertise in huis en iedereen krijgt de ruimte om zichzelf te ontwikkelen.”