Gedragsdeskundige Susanne: ‘Je moet optimistisch en hoopvol blijven’

Na een studie ontwikkelingspsychologie werkt Susanne onder andere acht jaar lang als schoolpsycholoog. Daar komt ze voor het eerst in contact met de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), als ze door een raadsonderzoeker wordt benaderd als informatiebron. De RvdK spreekt haar aan en ze besluit te solliciteren op een functie als gedragsdeskundige. Inmiddel vervult Susanne deze rol al meer dan tien jaar: ‘Het werk als schoolpsycholoog was vanwege de directe betrokkenheid intensief. Als gedragsdeskundige ben ik nog steeds betrokken, maar heb ik meer afstand.’

Suzanne

“Het is mijn taak om raadsonderzoekers te ondersteunen in hun raadsonderzoek. Op het moment dat  de raadsonderzoeker een melding binnenkrijgt, verzamelt en leest hij of zij alle beschikbare informatie. Op basis daarvan vormt de raadsonderzoeker een eerste indruk. Vervolgens benadert hij een gedragsdeskundige om samen een analyse van de situatie te maken. Ik verdiep me vooraf in de zaak en ideeën van de raadsonderzoeker, zodat we daarna samen verder kunnen onderzoeken wat er in het gezin speelt, welke zorgen er zijn én welke krachten er zijn waarvan we gebruik kunnen maken om die zorgen aan te pakken. Het doel van ons overleg is bepalen wat dit gezin nodig heeft en hoe we dat gaan realiseren. Ik vind het heel inspirerend om samen met een raadsonderzoeker  oplossings – en doelgericht aan de slag te gaan.”

Samen inzichtelijk maken

“Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om tijdens dit overleg door te blijven vragen. Bij elke conclusie die we trekken stel ik vragen als hebben we niets over het hoofd gezien, hebben we voldoende en de juiste bronnen gesproken en hebben we voldoende gekeken naar de krachten en oplossingsmogelijkheden binnen het netwerk? Ik vind het belangrijk om een duidelijk, kloppend en volledig beeld te hebben van de situatie, want alleen daarmee kunnen we een passend advies geven. Bovendien moet ons advies begrijpelijk zijn voor het kind, zodat het later begrijpt wat de Raad heeft gedaan en waarom. Goed kunnen analyseren en uitleggen is in dit werk daarom noodzakelijk. Ik denk dat de verschillende opleidingsachtergronden van raadsonderzoekers en gedragsdeskundigen waardevol zijn in het inzichtelijk maken van een gezinssituatie. Ieder van ons benadert een situatie vanuit zijn eigen theoretische kennis en daardoor belichten we meerdere kanten van de zaak. Elke casus vraagt om een eigen aanpak en samen onderzoek je welke de beste is.”

Beste oplossing

“Als gedragsdeskundige heb je in principe geen contact met het kind en andere bronnen. Je adviseert de raadsonderzoeker op basis van beschikbare informatie en vanuit je eigen kennis en ervaring. Voor mij werkt die afstand goed, maar soms ik sluit ik ook aan bij de kind- en oudergesprekken. Ik wil niet vanaf een afstand roepen hoe iets moet, maar wil ervaren welke consequenties mijn werk heeft. Dat houdt me menselijk en helpt me om mijn werk beter te kunnen doen. Om diezelfde reden organiseer ik – samen met twee collega’s - netwerkberaden in scheidingszaken. Tijdens zo’n overleg zetten we beide ouders, hun netwerk en soms het kind samen aan tafel, met de opdracht om afspraken te maken voor het kind. Een raadsonderzoeker en gedragsdeskundige begeleiden het overleg. Als het de aanwezigen lukt om onderling afspraken te maken, hoeft de rechter niet ingeschakeld te worden. Dat is de beste oplossing voor iedereen.”

Grote ambitie

“Het fijne aan werken bij de RvdK vind ik dat er ruimte is initiatieven zoals de netwerkberaden op te zetten. Een ander voorbeeld is mijn betrokkenheid bij het ontwikkelen van een nieuw onderzoeksmodel. De combinatie tussen onderzoek, cliëntcontact en meedenken over onderzoeksmodellen houdt het werk voor mij afwisselend en uitdagend. Tegelijkertijd stelt de RvdK zichzelf een grote ambitie om in een korte tijdsperiode onderzoek te doen waarin het kind centraal staat. Dat doel is fantastisch om na te streven, maar is in complexe zaken soms moeilijk te bereiken omdat de omgeving niet wil meebewegen. In zo’n situatie moet je optimistisch en hoopvol blijven, anders doe je het kind geen recht.”