Altijd onzeker: het verhaal van Tessa

Tessa was zestien toen ze werd opgenomen in een kliniek voor jongvolwassenen. Haar onzekerheid beheerste haar hele leven, de gedachte aan zelfmoord begeleidde haar continu. Dankzij haar behandeling in een kliniek en  de liefde van haar ouders kon ze verder met haar leven. Maar dat ging niet vanzelf.

'In de kliniek raakte ik betrokken bij de problematiek van anderen en ontwikkelde ik een eetstoornis.’

Thuis

‘Als kind was ik heel gevoelig voor stemmingen en voor wat anderen over me zeiden, of wat ik dacht dat ze over me zeiden. Die gevoeligheid werd in de pubertijd steeds sterker. Ik werd extreem onzeker, en vanuit die onzekerheid ontwikkelde ik allerlei angsten die elkaar weer versterkten. Zo raakte ik erg gefocust op mijn uiterlijk. Ik had nogal wat puistjes, wat ik lastig vond. Daardoor kreeg ik moeite met een bepaalde lichtval omdat ik dacht dat mijn puistjes dan nog meer te zien zouden zijn. Vervolgens vroeg ik aan mijn moeder hoe mijn gezicht eruitzag, maar wat ze ook zei: het was niet goed. Ik was zo onzeker dat ik op zo’n moment niet naar school wilde.

Ons huis lag aan een doorgaande weg richting school waar veel scholieren voorbijkwamen. Dan had ik alweer een volgende angst, namelijk dat iedereen onze ruzies kon horen. Vaak begon ik te huilen. Zo’n huilbui duurde wel even waardoor ik vanzelf niet naar school kon. Ook had ik vaak hoofdpijn na het huilen, dus vroeg ik mijn moeder me ziek te melden. Meestal liep die ziekmelding uit op twee of drie dagen ziek zijn. Dan ging ik boven in bed liggen met de gordijnen dicht. Mijn vader was docent op mijn middelbare school, en mijn zusje zat daar ook op school. Dus kon ik natuurlijk niet te vaak worden ziekgemeld, aangezien mijn vader er op werd aangesproken. Maar de drempel om weer terug naar school te gaan werd steeds hoger. Uiteindelijk wilde ik alleen maar in bed liggen, wilde dat mijn rotgevoel ophield. Ik begon te experimenteren met automutilatie.

Maatschappelijk werk

Ik had een assertiviteitscursus gedaan waaruit volgde dat ik meer gesprekken met een professional moest voeren. Mijn zelfbeeld werd negatiever. Ik wilde steeds minder, eigenlijk het liefst de hele dag in bed liggen. Met dat gedrag vroeg ik op mijn manier de hele tijd om hulp, maar ik had het idee dat ik niet werd gehoord. Toen belandde ik bij een maatschappelijk werkster. Ik vond het fijn om eens met iemand anders te kunnen praten dan mijn ouders. Na de eerste maatschappelijk werkster volgde een tweede. Met haar had ik geen klik. Mijn gedachten over de dood kwamen steeds vaker en sterker, maar ik had het gevoel dat ze mij niet serieus nam. Daarom sprak ik steeds heftiger uit wat in mijn hoofd zat, in de hoop dat ze naar me zou luisteren. Ik zei tegen haar dat ik het niet meer aankon, dat ik dood wilde. Toen zei zij: ‘Dat is dan je eigen keus.’ Dat was een trigger. Vanaf dat moment ging het bergafwaarts. Ik kreeg een andere maatschappelijk werkster, die de hulp opschaalde vanwege mijn suïcidale uitspraken. Zo belandde ik bij een psychiater.

School

Ik zat op het vwo waar ik gemiddeld presteerde. Door al die ziekmeldingen raakte ik achter. School bedacht daarop dat ik er baat bij zou hebben als ik naar de havo zou gaan. Ik stapte over van vijf vwo naar vier havo, zodat ik niet gelijk eindexamen zou hoeven doen, en wat meer rust zou hebben. Van die overstap werd ik ook weer onzeker ten opzichte van mijn vriendinnen. Ik denk dat ik er meer aan had gehad als een leraar met mij was gaan zitten en had gevraagd hoe het ging. Dan had ik het gevoel dat ik gezien werd. Anderzijds was ik zover heen dat de gedachte dat iemand had gezien dat het niet goed met me ging me ook weer angst aanjoeg. Toch wilde ik graag dat mensen me hadden gezien. Ik was ervan overtuigd dat ik niets waard was. Ik begreep zelf niet hoe ik nog kon rondlopen. Ik had het zwaar, ik had het fijn gevonden als iemand had gezegd: ‘Meid: je hebt het zwaar.’ Dat ik erkenning kreeg van anderen.

Ik wilde niets meer, durfde niets meer, zag nergens meer het nut van in. Ik hoefde niet per se te leven. Maar ik had ouders, een broertje en zusjes die van me hielden en ik kon het hen niet aandoen om ermee op te houden. Eigenlijk stonden ze mij in de weg met hun liefde. Daarom was ik boos op hen: omdat zij zoveel van mij hielden, moest ik wel blijven doorgaan met mijn leven. Ik deed suïcide uitspraken en was destructief bezig. Net niet destructief genoeg om dood te gaan, maar genoeg om bang te worden. Ik fantaseerde veel over zelfmoord en dacht aan scherpe voorwerpen. Vervolgens ontwikkelde ik weer een angst voor scherpe voorwerpen.

Omdat ik op zoek was naar bevestiging chatte ik regelmatig met jongens, iets waar papa en mama zich zorgen over maakten. Ze waren bang dat mij iets zou overkomen en wilden me beschermen. Bovendien vonden ze dat ik hulp nodig had die zij niet meer konden bieden. Daarop stelde de psychiater voor op zoek te gaan naar een behandelplek, en stelde een behandeling voor in een kliniek. Ik dacht: laat ik het maar doen. Want dan kan ik definitief laten zien dat ik echt niet meer te helpen ben. Ik zag de kliniek als eindstation. Ik was moe. Ik was het zat.

De kliniek

In eerste instantie zou ik vanuit de kliniek gewoon naar mijn oude school blijven gaan maar dat bleek geen goed idee. Op school was niet echt gepraat over mijn situatie, dus voelde ik me heel ongemakkelijk toen ik daar weer rondliep. Uiteindelijk stopte ik helemaal met de middelbare school en heb ik die twee jaar in de kliniek geen onderwijs genoten. Ik kon me niet goed concentreren, kon nog geen bladzijde uitlezen, maar ik had het wel prettig gevonden als ik een vorm van educatie had gekregen die niet therapie-gerelateerd was. Twee jaar lang was ik alleen maar patiënt en stond ik in andere opzichten stil. Ik denk dat het voor mijn zelfbeeld goed was geweest als ik meer had kunnen zijn dan dat.

Tijdens mijn verblijf in de kliniek was ik primair gefocust op mijn problematiek. Er zaten mensen met diverse persoonlijkheids- en angststoornissen. Er waren ook een aantal mensen met een eetstoornis. Omdat je zo dicht op elkaar leefde doordat je samen at, woonde en sliep, raakte je nogal eens bij de problematiek van anderen betrokken. Zo werd bij mij het zaadje voor een eetstoornis geplant, terwijl ik niet eerder op die manier met mijn uiterlijk bezig was. Het voelde fijn om met een ander soort problematiek bezig te zijn en niet alleen met mijn eigen zaken.

Zelfstandig wonen

Ik denk weleens dat ik het moeilijker heb gehad in mijn tijd na de kliniek. Hoe gek het ook klinkt: de kliniek is een veilige bubbel. Met de andere bewoners deelde ik een collectieve gekte, die daar geoorloofd is. Het stigma Wij zijn gek want we zitten in een kliniek maakte dat ik mijn ultieme zelf kon zijn. Ik kon met iedereen over mijn kwetsbaarheden praten.

Negentien was ik toen ik uit de kliniek kwam en op mezelf ging wonen. Ik wilde heel graag laten zien dat ik het allemaal alleen kon, ook al werd het me afgeraden om én zelfstandig te gaan wonen, én te gaan studeren, én een bijbaantje nemen. Ik was bang dat mensen van mijn hoofd af konden lezen dat ik in een kliniek had gezeten. Zeker in het begin haalde ik goede cijfers en was ik met heel veel zaken tegelijk bezig. Iemand zei eens tegen me: ‘Tessa, jij doet het ook allemaal zo makkelijk.’

Dat deed me zo’n pijn, mensen moesten eens weten. Tegelijkertijd wilde ik het er niet over hebben. Dus dat voelde heel dubbel en gaf veel frustratie. Die frustratie moest ik op de een of andere manier kwijt. Dat deed ik met behulp van een eetstoornis. Mijn kennismaking in de kliniek met de eetproblematiek begon ik in de praktijk te brengen. Het was voor mij een bekend mechanisme, waar ik concrete controle over had. Een eetstoornis is een soort levensstijl, waar je bij wijze van spreken helemaal in kunt verdrinken. Het begon ermee dat ik vond dat ik iets moest afvallen, het eindigde met een eetstoornis die twee jaar heeft geduurd.

Nazorg

Van twee jaar fulltime therapie naar een keer in de week een uur met een psychiater praten is een enorme overgang. De mensen uit de kliniek waren voor mij als familie gaan voelen. Ik moest helemaal loskomen van de omgeving, van het gebouw. Als je weg bent uit zo’n kliniek is het de bedoeling dat je geen contact meer hebt met de begeleiders. Af en toe hoorde ik nog wel van mijn groepsgenoten, maar dat was het dan. Ik zou het heel leuk hebben gevonden als een begeleider uit de kliniek mijn kamer was komen bekijken. Die grens tussen privé en professionaliteit is zo strak getrokken dat het de overgang van binnen naar buiten lastig maakt. Omdat ik met de mensen die ik na mijn periode in de kliniek had ontmoet, niet durfde te spreken over mijn periode daar, ontstond er een kloof. Daardoor voelde ik me vaak eenzaam.

Gezin

Ik denk dat ik een keer in de vier maanden naar mijn ouderlijk huis ging. Hoewel mijn familie er alles aan deed om me welkom te laten voelen, voelde ik me er zelf niet meer bij horen.

We hebben geen gezinstherapie gehad. Best raar want mijn problemen en gedrag raakten mijn broertje, zusjes en ouders ook. School en de kliniek communiceerden wel met mijn ouders, maar nauwelijks met elkaar. Door die gebrekkige communicatie ging informatie verloren. Bovendien voelde het voor mij als een gebrek aan betrokkenheid.

Ik schaamde voor wat er was gebeurd. Ik was heel bang dat mensen het aan me konden zien, was ook bang dat ik niet voldeed, niet goed genoeg was. In de kliniek is het heel veilig, want daar hoef je je nergens voor te schamen. In de buitenwereld is dat anders. Schaamte is een heel sterke en bepalende emotie, die niet onderschat moet worden door hulpverleners. Ik heb mijn littekens overgehouden, maar de andere gezinsleden ook. Nog steeds kan ik feller reageren dan nodig op een opmerking, maar ik ben wel meer in balans. Ik zie dat mijn ouders trots op me zijn. Ik zie nu dat mama zich niet bezorgd maakt omdat ik in de kliniek heb gezeten, maar omdat mama een zorgzame moeder is. Met papa praatte ik vroeger niet veel, maar na veel kloteritjes met ruzie in de auto van en naar de kliniek, gingen we praten en hebben we uiteindelijk veel goede gesprekken gevoerd. De eerste tijd na mijn opname in de kliniek heb ik mijn verblijf daar opgehemeld, later heb ik het net zo hard weer afgebrand. Ook dat is nu meer in balans. Laat ik het zo zeggen: zonder de kliniek had ik niet gestaan waar ik nu sta. En ik ben trots op waar ik nu sta.’

In deze interviewreeks vertellen jongvolwassenen op persoonlijke titel het verhaal over hun jeugd. Centraal hierin staan hun ervaringen met de jeugdhulpketen. Sommige ervaringen zijn goed, sommige minder, sommige slecht. Deze interviews zijn bedoeld om de stem van het kind te laten horen, en om te leren van hun ervaringen. Zowel de goede als de slechte.