Waarom vindt de Raad voor de Kinderbescherming radicalisering een probleem?

De Raad voor de Kinderbescherming draagt vanuit zijn wettelijke taak bij aan de veiligheid en de ontwikkeling van kinderen. De ontwikkeling van een minderjarige loopt gevaar bij radicalisering.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een unieke positie op het snijvlak van pedagogiek en recht, vrijwillige en gedwongen hulpverlening. Zowel bij het geven van advies als bij het doen van onderzoek wordt de afweging tussen recht en pedagogiek gemaakt.

Radicalisering gevaar voor ontwikkeling

De RvdK vindt dat een minderjarige die radicaliseert gevaar loopt in zijn ontwikkeling:

  • Een minderjarige die (zelf of met zijn ouders) naar oorlogsgebied afreist, loopt fysiek risico (verwonding, dood);
  • Een minderjarige onttrekt zich aan het gezag van zijn ouders;
  • Een minderjarige loopt het risico van geestelijke bedreiging, door bijvoorbeeld confrontatie met traumatische omstandigheden en slachtoffers, door intimidaties en door militair gerelateerde trainingen in complexe omstandigheden;
  • De ideologie, die een minderjarige zich eigen maakt, legitimeert geweld tegen iedereen die deze leer niet aanhangt. Dit vergroot het risico op strafbaar gedrag door de minderjarige.

Persoonsgerichte aanpak

Jongeren en hun brein zijn nog in ontwikkeling, hierdoor maken ze nog niet altijd een weloverwogen keuze. Zo is het overzien en inschatten van risico’s nog onvoldoende ontwikkeld. Jongeren overzien niet altijd de impact van hun eigen handelen, zoals de beslissing om af te reizen en deel te gaan nemen aan terroristische activiteiten.

De Raad voor de Kinderbescherming vindt een persoonsgerichte aanpak van belang. Jongeren moeten nog van hun fouten kunnen leren. Ook kijkt de RvdK of het radicaliserende gedrag van een jongere een signaal is van achterliggende problemen.