Kinderen ter Apel

Onzichtbaar. Het verhaal van Yasmin

De 28-jarige Yasmin kwam op haar veertiende samen met haar zeventienjarige zus naar Nederland. Met een voortdurende angst om van haar zus gescheiden te worden en uitgezet te worden, wist ze een bestaan op te bouwen in Nederland. Dit is haar verhaal.

Als kind wilde ik politievrouw worden, later architect Ik was vroeger verlegen en stil, maar ook heel ambitieus op school en kritisch op mijzelf. Ik moest en zou het hoogste cijfer halen. In Iran hebben we een systeem waarbij je een cijfer kunt krijgen van een tot twintig. Ik kan me herinneren dat ik eens huilend thuiskwam, omdat ik een negentien had gehaald in plaats van twintig. Kritisch op mijzelf en ambitieus ben ik nog steeds, maar verlegen en stil ben ik niet meer. Dat heb ik in Nederland afgeleerd. Hier heb ik geleerd om tegen een afwijzing te kunnen.

Bij het politiebureau

In 2002 kwam ik samen met mijn moeder en zus naar Nederland. Ik was veertien, mijn zus zeventien. Een maand later zou zij achttien worden. Ik kan me niet herinneren waar we op dat moment waren, mijn geheugen is wazig op dit terrein. Op een dag ging mijn moeder weg, we wisten niet waarheen. Omdat we niet wisten wat we moesten doen, gingen we naar het politiebureau; voor ons de meest logische plek om hulp te krijgen. Bij het politiebureau werd er een tolk gebeld omdat we alleen maar Farsi spraken. Die tolk vertelde ons dat we niet bij de politie moesten zijn, maar bij een aanmeldcentrum, en dat we vriendelijk werden verzocht te gaan. We stonden op straat. We namen een trein zonder kaartje omdat we geen geld hadden. Ik weet nog dat we heel lang in de trein zaten,en dat ik al die tijd doodsbang was dat we gecontroleerd zouden worden. Uiteindelijk kwamen we bij een aanmeldpunt voor asielzoekers. Waar dat was, kan ik me ook niet meer herinneren. We werden naar een voorlopige verblijfplaats gebracht en daarna volgde een tijdelijke andere plek, tot we uiteindelijk in een asielzoekerscentrum in Leiden kwamen. Hier zou ik ruim vier jaar blijven.

Ama

Het asielzoekerscentrum in Leiden een groot gebouw met dertien etages. Omdat mijn zus net achttien was geworden, moest ze het land verlaten. Ik mocht blijven omdat ik minderjarig was en daarmee onder de ama-regeling viel (Nu: amv: Alleenstaande minderjarige vreemdelingen). Maar ik wilde niet zonder mijn zus blijven. Onze moeder had ons al verlaten, we hadden alleen elkaar.

Uiteindelijk mochten we blijven tot ik achttien werd, daarna zouden we allebei Nederland weer uit moeten. De allerhoogste etage van het gebouw was bestemd voor opvang van ama’s. Mijn zus kreeg een kamer beneden, terwijl het de bedoeling was dat ik boven zou verblijven. Als ama stond je onder controle. Na tien uur niet meer naar buiten, geen alcohol, geen jongens op je kamer. Ik zei: “Als mijn zus naar beneden moet, ga ik ook naar beneden.” Toen mocht mijn zus op mijn kamer blijven. Dat vonden we prima, zolang we maar bij elkaar waren.

Voogd

Ik kreeg een voogd toegewezen. Deze mevrouw zou mij helpen bij mijn ontwikkeling naar zelfstandigheid, en was officieel mijn wettelijk vertegenwoordiger. Ik had geen goed contact met haar omdat het voelde alsof zij niet naar mij luisterde en mij alleen maar ontmoedigde. De bedoeling was dat ik wekelijks gesprekken met haar had. Keer op keer zei ze tegen mij: “Jouw zus moet terug. Die kan hier niet blijven, dus bereid je daar maar op voor.” Iedere keer dat ze dat zei deed het pijn. Daarom wilde ik dat ze daar mee ophield, maar het lukte me niet om dat duidelijk te maken. Ik zei bijvoorbeeld: “Ja, ik heb je begrepen, het is goed, maar stop nu alsjeblieft. Stop.”

Ik voelde me machteloos, ging ik glazen stukslaan en spullen kapotmaken. Dat was de enige manier waarop ik kon laten zien dat ik woedend was. Ik wilde haar niet meer zien dus sprak ik ook niet meer met haar af. Zij zocht ook niet actief naar contact met mij.

Psychiater

Omdat ik zo boos was en dingen kapotmaakte, werd ik naar een psychiater gestuurd. Zij was de eerste die echt naar mij luisterde, en de eerste persoon waarbij ik sinds mijn komst naar Nederland het gevoel had dat ze om mij gaf. Zij was betrokken, oprecht, en toonde haar emoties. Zij werd voor mij een soort moeder. De psychiatrische hulp stopte toen ik achttien werd, maar zij ging persoonlijk voor mij op zoek naar een andere goede psychiater. Langzamerhand ging het beter omdat ik een andere voogd toegewezen kreeg . Een heel aardige vrouw. Zij ging bijvoorbeeld met mij mee toen ik de overstap maakte van de havo naar het mbo. Zij hielp mij bij de inschrijving, en zat bij mijn intakegesprek. Ik dacht de hele tijd: wat ontzettend aardig dat zij dit voor mij doet. Later begreep ik dat dit onderdeel is van de werkzaamheden van een voogd.

Bij mijn zus

De ama’s gingen verhuizen uit het AZC in Leiden. Ik wilde niet mee omdat ik bij mijn zus wilde blijven. Mijn zus mocht op haar beurt weer niet mee, omdat ze meerderjarig was. De enige mogelijkheid voor ons om bij elkaar te blijven zou zijn als ik onder de volledige verantwoordelijkheid van mijn zus zou vallen. De ama’s die mee verhuisden gingen in een ander asielzoekerscentrum wonen. Ama’s met een verblijfsvergunning gingen naar een soort studentenhuis dat onder begeleiding stond. Zij hadden bijvoorbeeld recht op leefgeld en een fiets. Ze kregen hulp bij hun opleiding en bij het zelfstandig wonen. Bij mij gebeurde dit niet omdat ik onder de verantwoordelijkheid van mijn zus viel, ook al was ik minderjarig. Mijn zus en ik aten zo goedkoop mogelijk om geld uit te sparen voor bijvoorbeeld kleding of een fiets. Ik liep van de ene kant van de stad naar de andere op zoek naar de goedkoopste supermarkt. Dan liep ik terug met zoveel boodschappen als ik kon dragen. Ik was heel mager. Als mensen me op straat vroegen of ze me konden helpen, voelde ik me een beetje zichtbaar.

Rechten

De ama’s die onder begeleiding woonden, kregen een advocaat toegewezen. Mijn zus en ik hadden ook een advocaat nodig, aangezien het nog steeds onduidelijk was of ik na mijn achttiende kon blijven of niet. Heel wat advocaten hebben ons afgewezen omdat ze vonden dat ze ons niet konden helpen. Eentje zei dit pas nadat hij al een jaar bezig was geweest met ons dossier. Dat was een grote teleurstelling. Uiteindelijk vonden we een goede advocaat. Mijn zus kreeg een verblijfsvergunning, maar vervolgens werd ik weer afgewezen. Ik weet niet waarom ik dit keer de afwijzing kreeg en mijn zus niet. Onze achtergrond is immers volledig hetzelfde. Maar onze advocaat zei: “Ik maak bezwaar, dit komt goed.” Op mijn negentiende kreeg ik uiteindelijk mijn verblijfsvergunning. Ik was blij, maar tegelijkertijd was het afgelopen met de hulp. Ik had net zo’n twee, drie maanden die aardige voogd , maar dat stopte. Ik had het fijn gevonden als er contact was gebleven. Dat ze af en toe informeerden: “Yasmin, hoe gaat het nu? Hoe gaat het op je opleiding, kun je je weg vinden en red je het een beetje op jezelf?”

Vluchtelingenwerk

In Nederland is heel veel hulp, en zijn heel veel zaken echt goed geregeld. Toch voelde het voor mij lange tijd alsof ik in een parallelle wereld leefde, alsof ik niet bestond. Dat komt vooral omdat ik alles zelf heb gedaan, zowel het regelen van de advocaat, als mijn huisvesting, als zaken in verband met mijn opleiding. Niemand die aan me vroeg hoe het met me ging, op die enkele mensen na die ik heb ontmoet, zoals de aardige psychiater, docent en voogd . Omdat ik niet wist van het bestaan van instanties, heb ik er ook niet aangeklopt. Van een instituut als de Raad voor de Kinderbescherming hoorde ik bijvoorbeeld pas toen ik met mijn hbo-studie begon. Voor mijn huurcontract en zorgverzekering zocht ik hulp bij Vluchtelingenwerk.

Samen blijven

Ik was heel erg geholpen geweest met wat vriendelijkheid. Dat mensen mij het gevoel hadden gegeven dat ik welkom was, ongeacht het feit of ik nou een verblijfsvergunning had of niet. Daarnaast was het was voor mijn zus en mij van levensbelang om samen te blijven. We hadden niemand anders. Was er nu echt geen mogelijkheid om ons met zijn tweeën op een kamer te laten tussen de andere ama’s? Het beste zou zijn geweest als er was gezegd: “Yasmin, jij bent minderjarig. Jij komt met ons mee. En je zus gaat ook mee, ook al is zij meerderjarig. Meer vriendelijkheid en meer oog voor onze situatie had ons erg geholpen. Wij waren te jong om zo achter te blijven.

Nog steeds wil ik graag rechten studeren. Ik heb inmiddels een leuke baan bij een bedrijf waar ik mensen kan helpen die in dezelfde situatie zitten als waarin ik zelf heb gezeten. Nu er wat rust is gekomen in mijn leven merk ik dat moe ben. Ik wil nu even rust. Toch heb ik mijn droom om ooit rechten te gaan studeren niet opgegeven. Door ‘nee’ laat ik me in ieder geval niet weerhouden.

In deze interviewreeks vertellen jongvolwassenen op persoonlijke titel het verhaal over hun jeugd. Deze interviews zijn bedoeld om de stem van het kind te laten horen, en om te leren van hun ervaringen. Zowel de goede als de slechte. Dit verhaal is geanonimiseerd.