Adoptie van een in Nederland geboren kind

De mogelijkheden om een kind te adopteren dat in Nederland geboren is, zijn beperkt. Er zijn in Nederland maar weinig ouders die er voor kiezen om volledig afstand te doen van hun kind en hun rechten als ouder. Veel in Nederland geboren kinderen die ter adoptie worden afgestaan hebben een buitenlandse culturele identiteit.

Bedenktijd voor de biologische ouders

Ieder kind heeft het recht op te groeien bij zijn biologische ouders. Voor sommige kinderen is dit echter niet mogelijk. De biologische ouders kunnen al voor of direct na de bevalling van plan zijn om hun kind ter adoptie af te staan omdat zij geen mogelijkheden zien zelf voor hun kind te zorgen. Zij hebben dan een ‘voornemen tot afstand’.

Het gebeurt echter regelmatig dat ouders toch nog van gedachten veranderen. Daarom hebben zij een bedenktijd van in ieder geval drie maanden vanaf de bevalling om een beslissing te nemen over het doen van afstand van het kind. In deze periode kunnen de ouders bij hun beslissing begeleiding krijgen van het FIOM of van Siriz. Het kan zijn dat de gedachten en omstandigheden van de ouders in deze drie maanden veranderen, waardoor zij toch zelf voor hun kind kunnen en willen zorgen. Tijdens deze periode wordt het kind opgevangen in een pleeggezin dat speciaal geselecteerd is voor snelle, tijdelijke opvang. We noemen dit een neutraal-terrein-gezin.

De Raad voor de Kinderbescherming vraagt voor deze drie maanden om een voorlopige voogdijmaatregel aan de kinderrechter. De betrokken Gecertificeerde Instelling (GI) is tijdens deze periode verantwoordelijk voor het uitvoeren van de voorlopige voogdij en neemt de belangrijke beslissingen over het kind. Zij zorgen bijvoorbeeld voor plaatsing in het tijdelijke pleeggezin en geven toestemming voor vaccinaties of een opname in het ziekenhuis. De ouders mogen in deze periode contact hebben met het kind, maar dit hoeft niet. 

Na 3 maanden

Na deze periode van 3 maanden volgt een overleg tussen de biologische ouders de RvdK en andere betrokken organisaties om te kijken hoe het verder moet. Er zijn verschillende mogelijkheden:

  • De ouders willen toch voor hun kind zorgen en kunnen dat ook, bijvoorbeeld met hulp van familieleden. In dat geval krijgen de ouders het gezag over het kind terug en wordt het kind aan hen overgedragen.

  • De ouders willen toch voor het kind zorgen, maar kunnen dat op dit moment niet of nog niet. In dat geval wordt gezocht naar een pleeggezin dat het kind opvangt tot de ouders wel in staat zijn om voor hun kind te zorgen. De RvdK zal dan door middel van een onderzoek bekijken of terugplaatsing van het kind bij de biologische ouders verantwoord is. Zo nodig krijgen de ouders hulp en begeleiding om zich voor te bereiden op hun verantwoordelijkheid. 


  • De ouders blijven bij hun voornemen om afstand te doen van hun kind. In dat geval worden de eerste stappen gezet in de richting van adoptie.

Selectie van geschikte adoptieouders

Als de ouders na drie maanden nog steeds afstand willen doen van hun kind, maakt de RvdK een selectie van drie ‘aspirant adoptiegezinnen’ die op de Nederlands Kind ter Adoptie (NKA)-wachtlijst staan. Bij deze selectie spelen de belangen en behoeften van het kind een doorslaggevende rol. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het feit dat het kind een medische geschiedenis heeft die extra zorg van de adoptieouders vraagt of aan de wensen die de biologische ouders hebben ten aanzien van het opgroeien bij een vader en een moeder, twee vaders of moeders of een alleenstaande ouder. Daarnaast kunnen geloof, sociaal milieu, opleiding en woonomgeving een rol spelen.

De (geanonimiseerde) rapporten van het gezinsonderzoek van de drie geselecteerde aspirant adoptiegezinnen worden voorgelegd aan de GI. Deze besluit vervolgens, eventueel in overleg met de biologische ouders, één van de gezinnen. Daarna neemt de RvdK contact op met het gekozen adoptiegezin om het plaatsingsvoorstel te bespreken. Vervolgens vindt er een matchingsgesprek plaats tussen de GI en de aspirant adoptieouders. Als er sprake is van een passende match, worden er concrete afspraken gemaakt voor de overdracht van het kind.

Bespreking van het plaatsingsvoorstel

Een medewerker van de GI praat, samen met een raadsmedewerker, met de aspirant adoptieouders over de adoptie van het kind, het achtergrondverhaal, de motivatie van de biologische ouders om afstand te doen en de te verwachten betrokkenheid van de biologische ouders. Er wordt gekeken naar de mogelijkheid van een adoptie, waarbij de biologische ouders voor de adoptie kennismaken met de adoptieouders. Ook wordt er informatie over het kind zelf beproken. Vervolgens wordt een plaatsingsvoorstel gedaan. De aspirant adoptieouders krijgen een paar dagen de tijd om over het plaatsingsvoorstel na te denken.

Overplaatsing naar het adoptiegezin

Als de adoptieouders akkoord gaan met het plaatsingsvoorstel, volgt een eerste bezoek aan het kind. Bij dit bezoek is ook de jeugdbeschermer aanwezig. Het tijdelijke pleeggezin wordt via de pleegzorgwerker voorbereid op het bezoek van de adoptieouders. Als de ervaringen positief zijn worden afspraken gemaakt voor vervolgbezoeken en wordt de datum bepaald waarop het kind bij de adoptieouders zal worden geplaatst. Dit gebeurd meestal één tot twee weken na het eerste kennismakingsbezoek. Van de aspirant adoptieouders wordt verwacht dat zij goed zijn voorbereid op de komst van een kind en dat zij het kind snel in huis kunnen nemen.

Het eerste jaar na plaatsing

Als de adoptieouders één jaar voor het kind hebben gezorgd, kunnen zij aan de rechter vragen of zij het kind mogen adopteren. De RvdK adviseert de rechtbank over dit verzoek wanneer de rechtbank hierom vraagt. De biologische ouders kunnen van gedachten veranderen omdat  zelf voor het kind willen zorgen, ook als zij eerder in de procedure een afstandsverklaring hebben ondertekend. Dit is mogelijk tot het moment dat de adoptie juridisch definitief wordt door een uitspraak van de rechter.

Als de biologische ouders van gedachten veranderen onderzoekt de RvdK of de thuissituatie veilig is en of de biologische ouders in de behoeften van het kind kunnen voorzien. Het is dus mogelijk dat een kind binnen een jaar na opname in het aspirant adoptiegezin, alsnog wordt overgeplaatst naar een pleeggezin of weer wordt teruggeplaatst bij de biologische ouders. In alle gevallen zal het belang van het kind leidend zijn.

Definitieve adoptie

Wanneer de biologische ouders hun kind nog steeds willen laten adopteren, worden alle juridische banden tussen de biologische ouders en het kind definitief verbroken. Het kind krijgt de achternaam van de adoptieouders en wordt bij hen ingeschreven. Hierna is de adoptie juridisch vastgelegd. Het is voor een geadopteerd kind belangrijk dat zijn biologische ouders ook na de adoptie een plek krijgen in zijn/haar leven en contact kunnen houden met hun kind. Dit kan bijvoorbeeld door een vorm van contact of door tussentijds een foto van het kind te ontvangen. Van de adoptieouders wordt verwacht dat zij hier ook voor openstaan.

Aspirant adoptieouder worden voor NKA

Een kind dat in aanmerking komt voor adoptie is een kwetsbaar kind. Adoptieouder zijn is een grote verantwoordelijkheid. Daarom maakt een gezinsonderzoek door de RvdK deel uit van de adoptieprocedure van zowel een buitenlands als een Nederlands kind. Als adoptieouders, naast de buitenlandse adoptieprocedure, ook in aanmerking willen komen voor adoptie van een kind uit Nederland, dan kunnen zij dit aangeven tijdens het gezinsonderzoek door de RvdK. In een aanvullend gesprek wordt dan ingegaan op het eigen karakter van een binnenlandse adoptie. Een gesprek over de geschiktheid van de aspirant adoptieouders voor binnenlandse adoptie vindt pas plaats na positieve afronding van het gezinsonderzoek voor de procedure voor de adoptie van een kind uit het buitenland.

Om een Nederlands kind te kunnen adopteren dienen aspirant adoptieouders aan een aantal criteria voldoen. Zij moeten zich aanmelden bij de Stichting Adoptie Voorzieningen (SAV) en daar de voorlichting over adoptie volgen. Ook zullen ze moeten  meewerken aan het gezinsonderzoek door de RvdK. Het is de taak van de RvdK om te beoordelen of aspirant adoptieouders geschikt zijn voor het opnemen van een Nederlands adoptiekind in hun gezin. Er zijn voor deze screening 3 eisen:

1a. De leeftijd van de aspirant adoptieouders is jonger dan 41 jaar ten tijde van het gezinsonderzoek. De RvdK hanteert een maximum leeftijd van 41 jaar om in aanmerking te komen voor een Nederlands kind ter adoptie. Dit gebeurt om een maximum leeftijdsverschil van 40 jaar tussen de adoptieouders en het kind te hebben op het moment van adoptie. 
1b. Aspirant adoptieouders dienen bij een voorstel direct beschikbaar te zijn en indien nodig hulpverlening te accepteren.
2. De aspirant adoptieouders voldoen aan de algemene criteria voor de geschiktheid voor een in het buitenland geboren adoptiekind (BKA). 
3. De aspirant adoptieouders zijn specifiek geschikt voor het opnemen van een Nederlands kind ter adoptie. Meer informatie hierover is te vinden in hoofdstuk 3.2 van het Protocol ASAA 2016

Bij de adoptie van een Nederlands kind ligt de nadruk op de belangen van dat kind en op de wensen van de biologische ouders. Hierdoor is de duur van de wachttijd voor aspirant adoptieouders niet te voorspellen: het kan ieder moment gebeuren, maar de kans is vrij groot dat er helemaal geen plaatsing van een Nederlands kind bij de adoptieouders komt. Het is belangrijk dat aspirant adoptieouders in alle opzichten goed zijn voorbereid op de komst van een kind. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het op korte termijn kunnen opnemen van verlof bij de werkgever en het inrichten van een kinderkamer. Daarnaast worden er nog een aantal eisen gesteld aan de aspirant adoptieouders:

  • begrip hebben voor de afstandsmotieven van de afstandsouders;

  • bereid zijn contact te hebben met de afstandsouders;

  • kunnen omgaan met de nabijheid van de afstandsouders;

  • emotioneel in staat zijn om te gaan met de onzekerheid van het eerste jaar waarin de adoptie nog niet definitief is. 

Het gezinsonderzoek

Het gezinsonderzoek van de RvdK duurt gemiddeld drie tot vier maanden. Onderwerpen die aan de orde komen tijdens de onderzoeksgesprekken zijn onder andere kinderwens, motivatie om voor een adoptiekind te zorgen, relatie, eventueel al aanwezige kinderen, gezondheid, werk en economische omstandigheden, woonsituatie en vrijetijdbesteding, godsdienst of levensovertuiging, sociaal netwerk, levensloop van de adoptieouders, opvoedingscapaciteiten en status- en afstammingsvoorlichting van het adoptiekind.

Voorafgaand aan het gezinsonderzoek moeten de adoptieouders een gezondheidsverklaring van een onafhankelijk arts overleggen. Het is belangrijk dat een adoptiekind een stabiel en veilig thuis krijgt. Als een adoptieouder ernstige gezondheidsklachten heeft of een handicap heeft die veel aandacht vraagt, kan dit nadelig zijn voor het kind.

Tijdens het onderzoek vraagt de raadsonderzoeker een uittreksel uit het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) op. Hierin staan eventuele misdrijven en overtredingen van de aspirant adoptieouders geregistreerd. Ook wordt er gekeken in het eigen archief. De raadsonderzoeker beoordeelt of de informatie die hieruit naar voren komt een risico kan vormen voor het adoptiekind.

Na de onderzoeksgesprekken wordt een gezinsrapport opgesteld. In een adviesgesprek krijgen de aspirant adoptieouders te horen of de RvdK hen geschikt vindt voor het adopteren van een Nederlands kind. Bij de adoptieprocedure voor een buitenlands kind ontvangt het ministerie van Justitie en Veiligheid het gezinsrapport en het advies van de RvdK.  Het ministerie ontvangt geen stukken over de binnenlandse adoptie, deze blijven op de locatie van onderzoek.

Meer algemene informatie is te vinden op de website van de Rijksoverheid