Welke maatregelen van kinderbescherming zijn er?

De rechter kan een maatregel van kinderbescherming opleggen. Een ondertoezichtstelling komt het meest voor als maatregel van kinderbescherming.

Ondertoezichtstelling

Bij de ondertoezichtstelling krijgt een kind een gezinsvoogd voor de periode van maximaal 1 jaar. Soms gaat het om meer kinderen in een gezin. Een gezinsvoogd is iemand die adviezen geeft over de opvoeding en hierover met de ouders afspraken maakt. De ouders blijven zelf verantwoordelijk voor het kind. Ze zijn verplicht mee te werken aan de adviezen en afspraken van de gezinsvoogd.

In een plan van aanpak schrijft de gezinsvoogd onder andere op hoe de ouders zelf denken dat ze de problemen kunnen oplossen. En of ze daarbij hulp nodig hebben van hulpverleners. Belangrijke beslissingen over het kind nemen de ouders samen met de voogd. De ouders en de kinderen zijn verplicht zich te houden aan de aanwijzingen van de voogd.

Wat gebeurt er als de periode van ondertoezichtstelling bijna voorbij is?

  • De gezinsvoogd kan aangeven dat verlenging nodig is. De rechter beslist dan over verlenging van maximaal 1 jaar.
  • De gezinsvoogd kan aangeven dat het goed gaat en dat ouders en kind samen verder kunnen. Een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming toetst dan of de problemen zijn opgelost en de situatie voor het kind weer in orde is.

Uithuisplaatsing

Als een kind onder toezicht wordt gesteld, dan blijft het kind thuis wonen. Maar soms zijn de zorgen over het kind zo ernstig dat het beter is als het kind even ergens anders woont. Het kind woont dan voor een bepaalde periode in een tehuis of in een ander gezin (dit heet een pleeggezin). De ouders mogen contact houden met het kind, behalve als de gezinsvoogd vindt dat het beter is om even geen contact te hebben.

Een uithuisplaatsing duurt maximaal 1 jaar. Het doel ervan is altijd om ervoor te zorgen dat het kind weer naar huis kan. Na een jaar kan de rechter de uithuisplaatsing verlengen als hij dit nodig vindt.

Voorlopige ondertoezichtstelling

Een voorlopige ondertoezichtstelling is een bijzondere vorm van ondertoezichtstelling. De Raad voor de Kinderbescherming vindt dan dat de situatie van een kind heel ernstig of bedreigend is. De raadsonderzoeker vraagt de rechter om met spoed te kiezen voor een ondertoezichtstelling en meestal ook een uithuisplaatsing. De raadsonderzoeker laat dit wel meteen weten aan de ouders. Maar hij hoeft geen uitgebreid onderzoek te doen.

Als de rechter bepaalt dat een voorlopige ondertoezichtstelling nodig is, krijgt het kind meteen een gezinsvoogd. Deze kijkt welke hulp direct nodig is. De voorlopige ondertoezichtstelling duurt maximaal 3 maanden. In die periode onderzoekt de raadsonderzoeker de situatie thuis. Aan het eind van het onderzoek geeft de raadsonderzoeker een advies aan de rechter. Deze bepaalt dan of de voorlopige ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing kan stoppen of moet worden verlengd met maximaal 1 jaar.

Gezagsbeëindigende maatregel

Soms vindt de Raad voor de Kinderbescherming dat ouders helemaal niet voor hun kind kunnen zorgen. De raadsonderzoeker kan de rechter vragen om beëindiging van het ouderlijk gezag. Aan een gezagsbeëindiging gaat meestal een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing vooraf, maar dit hoeft niet.

Beëindiging van het ouderlijk gezag betekent dat de ouders niet meer verantwoordelijk zijn voor hun kind en ook niets meer voor hun kind mogen bepalen. Dat doet iemand anders. Het kind krijgt een voogd en wordt opgevoed bij een pleeggezin of in een tehuis. De voogd houdt de ouders zoveel mogelijk op de hoogte van hoe het met hun kind gaat en bepaalt of zij het kind nog mogen zien.