Vandaag publiceerde het WODC een onderzoeksrapport over de ontwikkelingen rond het aantal jeugdbeschermingsmaatregelen in Nederland. Het onderzoek is uitgevoerd door de Universiteit Leiden. De Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) heeft aan dit onderzoek meegewerkt.
Daling aantal maatregelen
Het rapport schetst dat er landelijk sinds 2015 een sterke daling is in het aantal ondertoezichtstellingen en voogdijmaatregelen na een gezagsbeëindiging. De onderzoekers hebben gepoogd de gehele jeugdbeschermingsketen in beeld te brengen, waarbij de meest opvallende verschuivingen volgens het rapport te zien zijn rondom ons werk. Wij krijgen steeds minder vaak verzoeken om beschermingsonderzoek te doen, met de grootste daling na 2021 van 20%. En het aandeel verzoeken dat wij voorleggen aan de rechter (de zogenoemde rekestratio) daalt ook sterk: in de periode 2015-2024 met ongeveer 15%. Dit terwijl er volgens de onderzoekers geen aanwijzingen zijn dat er minder problematiek is rond onveiligheid en ontwikkelingsbedreiging van jeugdigen in Nederland.
Verklaringen
Het rapport concludeert dat dit erop duidt dat de jeugdbeschermingsketen andere afwegingen is gaan maken rond de inzet van vrijwillige hulp en gedwongen jeugdbeschermingsmaatregelen. En dat wij steeds terughoudender zijn geworden in het verzoeken van jeugdbeschermingsmaatregelen bij de rechter. Dit is het sterkst zichtbaar bij de gezagsbeëindigende maatregelen.
Op basis van interviews noemen de onderzoekers enkele verklaringen hiervoor:
- De vrijwillige hulp is kwalitatief beter geworden en blijft langer betrokken bij gezinnen. Dit verschilt wel sterk per gemeente;
- Er is in de hele jeugdbescherming een meer kritische houding rond gedwongen maatregelen.
In de gehouden interviews werden ook kanttekeningen geplaatst bij deze ontwikkelingen: zoals het risico dat gezinsproblematiek te lang ‘blijft hangen’ in vrijwillige hulp en de rechtsbescherming van kinderen en ouders in het geding kan komen (het zogenoemde drangkader).
De onderzoekers spreken een voorzichtige verwachting uit dat de daling in het aantal gezagsbeëindigende maatregelen de komende jaren zal doorzetten en bij de ondertoezichtstellingen mogelijk zal stabiliseren.
Afsluiten zonder maatregel
Als RvdK herkennen we de conclusies uit het rapport, en dan met name de ontwikkeling dat we de laatste jaren meer onderzoeken afsluiten zonder dat we de rechter verzoeken om een beschermingsmaatregel. Naar deze specifieke groep hebben we zelf recent ook onderzoek gedaan. Uit dat onderzoek bleek dat we gezinnen vaker naar vrijwillige hulpverlening terugverwijzen. De belangrijkste reden daarvoor was dat ouders (alsnog) bereid waren mee te werken en hulp te accepteren.
Als RvdK zijn we blij met de in het WODC-onderzoek gesignaleerde sterkere inzet van lokale teams. In hoeverre deze ontwikkeling of een meer kritische houding bij het verzoeken van gedwongen maatregelen een rol speelt bij de daling van onze verzoeken aan de rechter, kunnen we op basis van ons onderzoek niet zeggen.
Wel zien wij natuurlijk in de praktijk voortdurend het gebrek aan passende hulp voor kinderen en gezinnen. Ook herkennen we de geschetste risico’s rond drang en rechtsbescherming.
Betere monitoring
De WODC-onderzoekers presenteren hun conclusies ook met enige voorzichtigheid, mede omdat vanuit gemeenten en Veilig Thuis slechts beperkt informatie is aangeleverd. De onderzoekers pleiten dan ook voor betere en meer eenduidige registratie en monitoring in de jeugdbeschermingsketen.
Wij gaan het onderzoeksrapport van het WODC nader bestuderen en bezien wat de resultaten voor ons betekenen.