Regels van de wet bij een scheiding

Voor ouders die uit elkaar gaan, gelden volgens de wet regels over de zorg en verantwoordelijkheid voor de kinderen.

Ouders blijven samen verantwoordelijk

In Nederland houden de ouders na een scheiding allebei het gezag over hun kinderen. Dit betekent dat ze allebei verantwoordelijk zijn voor de zorg en opvoeding. Kinderen en beide ouders hebben recht op contact en informatie. Bovendien moeten de ouders alle belangrijke beslissingen over de kinderen samen blijven nemen.

Ouders maken een ouderschapsplan

De ouders zijn verplicht een ouderschapsplan op te stellen. Hierin staan alle afspraken over de zorg en opvoeding, geld voor onderhoud (alimentatie) en het delen van informatie. Ouders moeten hierin ook aangeven hoe zij de kinderen bij deze afspraken betrekken. En hoe zij de kinderen na de scheiding hierover blijven informeren.

Informatie en consultatie

De ouders moeten elkaar informatie geven over belangrijke zaken van de kinderen. Bijvoorbeeld over hoe de kinderen het doen op school of hoe het gaat met hun gezondheid. Dit noemen we het recht op informatie.

Bij belangrijke beslissingen moet een ouder de andere ouder om zijn mening vragen. Denk bijvoorbeeld aan een beslissing over een belangrijke medische ingreep. Dit heet het recht op consultatie.

Verdeling van zorg en opvoeding

Ouders die vóór de scheiding beiden het gezag hadden over de kinderen, houden het gezag na de scheiding. Ze moeten met elkaar afspreken hoe ze de zorg en opvoeding verdelen. Als het niet lukt om afspraken te maken, kunnen ze de rechter vragen om een beslissing te nemen over de zorgverdeling. De rechter kan de Raad voor de Kinderbescherming vragen om onderzoek te doen en advies te geven over hoe het voor de kinderen het beste geregeld kan worden in de nieuwe situatie.

Omgangsregeling

Er zijn situaties dat maar 1 ouder het gezag heeft. De ouder die het gezag heeft, heet de gezagdragende ouder. De andere ouder heet de niet-gezagdragende ouder.

De ouders stellen samen een omgangsregeling vast. Hierin staat wanneer en hoe vaak de niet-gezagdragende ouder het kind ziet. Als de ouders er samen niet uitkomen, dan kan de rechter een regeling vaststellen. Als de gezagdragende ouder wil dat de andere ouder het kind niet meer ziet, dan kan de rechter dat ook beslissen. Dat doet de rechter alleen om bepaalde redenen:

  • Als de omgang met de niet-gezagdragende ouder ernstige nadelen heeft voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen.
  • Als de niet-gezagdragende ouder niet geschikt is voor omgang met de kinderen.
  • Als de kinderen 12 jaar of ouder zijn en zelf ernstige bezwaren hebben om met de niet-gezagdragende ouder om te gaan.
  • Als er andere redenen zijn waardoor het niet goed is voor de kinderen om met de niet-gezagdragende ouder om te gaan.

Gezag bij 1 ouder

Als 1 ouder het gezag heeft over de kinderen, dan kan de andere ouder aan de rechter vragen om omgang met de kinderen te krijgen. Dit komt bijvoorbeeld voor als ouders niet getrouwd zijn geweest en geen gezamenlijk gezag hebben geregeld.

Gezag van 2 ouders naar 1 ouder

Eén van de ouders kan na de scheiding de rechter vragen om het gezag alleen aan hem of haar te geven. De rechter keurt dit alleen goed als blijkt dat de kinderen met ernstige opvoedproblemen te maken krijgen. En als de kans op verbetering van de situatie klein is.

De ouder die het gezag krijgt, mag bepalen waar de kinderen gaan wonen. Als 1 van de ouders de gezagsregeling later wil veranderen, dan moet deze ouder opnieuw naar de rechter.