Bijna elke straf en maatregel kan voorwaardelijk of onvoorwaardelijk worden opgelegd. Voorwaardelijk betekent dat je eerst de kans krijgt om je aan bepaalde afspraken te houden. Bijvoorbeeld meewerken aan begeleiding door de jeugdreclassering. Houd je je niet aan die afspraken, dan moet je alsnog de straf of de maatregel uitvoeren. Een onvoorwaardelijke straf of maatregel moet je meteen en helemaal uitvoeren.
Toezicht en begeleiding bij straf
De officier van justitie of de kinderrechter kan beslissen dat je verplicht hulp krijgt. Dan komt iemand van de jeugdreclassering jou begeleiden. Die maakt samen met jou een plan om aan bepaalde doelen te werken. Bijvoorbeeld dat je naar school gaat, dat je niet in een bepaald gebied komt of dat je leert omgaan met groepsdruk. De officier van justitie of de kinderrechter bepaalt aan welke doelen je moet werken.
Geen detentie
Er zijn verschillende straffen waarbij je niet naar de gevangenis (detentie) gaat.
De officier van justitie of de rechter kan je een geldboete opleggen. Zij kunnen beslissen dat je die boete in delen mag betalen.
Als je een geldboete krijgt van de rechter, dan beslist die ook wat er gebeurt als je de boete niet betaalt.
De rechter of de officier van justitie kan je een werkstraf geven. Je moet dan onbetaald werk doen.
De Raad voor de Kinderbescherming organiseert jouw werkstraf en controleert of je je aan de afspraken houdt.
Vindt de rechter dat jij hulp nodig hebt om je gedrag te veranderen? Dan kan die jou een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) opleggen. Dit betekent dat iemand van de jeugdreclassering met jou een plan maakt. Met dit plan leer je om voortaan andere keuzes te maken, zodat je je niet opnieuw strafbaar gedraagt. Zo’n plan vraagt veel van jou en jullie gezin.
De maatregel wordt zo ingevuld dat die past bij jouw situatie. Misschien moet je trainingen volgen, bijvoorbeeld om beter met boosheid om te gaan. Misschien moet je stoppen met bepaald gedrag, zoals rondhangen op een plek waar problemen zijn. Het kan ook zijn dat je ’s nachts in een justitiële jeugdinrichting moet verblijven. Of dat je een enkelband krijgt om in de gaten te houden waar je bent.
Je moet je aan de afspraken houden. Doe je dat niet? Dan kan de rechter besluiten dat je alsnog jeugddetentie krijgt.
De rechter kan een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) opleggen voor minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar. De maatregel kan 1 keer worden verlengd, met dezelfde termijn.
Om te voorkomen dat je opnieuw een strafbaar feit pleegt, kan de rechter je bijzondere voorwaarden opleggen. Dat zijn strenge afspraken waar je je aan moet houden. Die afspraken duren maximaal 5 jaar. Er zijn verschillende soorten. Bijvoorbeeld:
Een locatieverbod: je mag dan niet in een bepaald gebied komen. Bijvoorbeeld in de buurt waar het slachtoffer woont.
Een contactverbod: je mag dan geen contact hebben met bepaalde personen.
Een locatiegebod: je moet dan op bepaalde dagen en tijden ergens zijn. Meestal is dat thuis.
Een meldplicht: je moet je dan op bepaalde tijdstippen melden bij de politie.
Detentie
Alleen de kinderrechter kan beslissen dat je naar de gevangenis moet (detentie). Je gaat dan naar een gevangenis speciaal voor jongeren: een justitiële jeugdinrichting.
De rechter kan jeugddetentie opleggen. Je moet dan voor een bepaalde periode in een justitiële jeugdinrichting of in een kleinschalige voorziening justitiële jeugd verblijven. Ben je jonger dan 16 jaar, dan kan jeugddetentie maximaal 1 jaar duren. Als je 16 jaar of ouder bent, dan kan het maximaal 2 jaar duren. Tijdens de detentie volg je school en leer je andere vaardigheden.
PIJ betekent Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen. De rechter legt die maatregel op als je een behandeling nodig hebt. De behandeling is voor psychische probemen die de oorzaak zijn van jouw strafbaar gedrag. Je leert daar beter mee om te gaan, zodat je niet opnieuw de fout ingaat.
Bij een PIJ-maatregel verblijf je meestal in een justitiële jeugdinrichting. Een PIJ-maatregel duurt 3 jaar.
Jeugdstrafrecht of volwassenstrafrecht?
De algemene regel in het strafrecht is:
het jeugdstrafrecht geldt voor jongeren die jonger dan 18 jaar waren toen ze een strafbaar feit pleegden.
het strafrecht voor volwassenen geldt voor iedereen die 18 jaar of ouder was, toen ze een strafbaar feit pleegden.
De kinderrechter kijkt altijd welke straf jou het beste kan helpen. Daarom kan die beslissen om het anders te doen.
Was je tussen de 18 en 23 jaar toen je het strafbare feit pleegde?
Dan kan de kinderrechter je een straf geven volgens het jeugdstrafrecht. Bijvoorbeeld als dat beter past bij jouw ontwikkeling.
Was je 16 of 17 jaar toen je het strafbare feit pleegde?
De kinderrechter kan je dan een straf voor volwassenen geven. Dat doet de kinderrechter alleen in heel uitzonderlijke gevallen. Bijvoorbeeld als het gaat om een heel ernstig feit. En als je al vaker met justitie te maken hebt gehad en eerder jeugdhulp hebt gehad.