Een werkstraf is de meest voorkomende taakstraf. Bij een werkstraf moet de jongere werk doen dat niet betaald wordt. Het werk moet nuttig zijn en de jongere moet er iets van leren, bijvoorbeeld leren samenwerken. Het werk heeft soms een relatie met het strafbare feit. Bijvoorbeeld een tasjesroof bij een oudere dame en een werkstraf in een verzorgingshuis.
Wat gebeurt er bij de werkstraf?
De coördinator taakstraffen heeft met de jongere een eerste gesprek. Hij nodigt de ouders ook uit. Soms zijn er ook hulpverleners aanwezig die al met de jongere of het gezin werken.
In dit gesprek krijgt de jongere uitleg over wat een werkstraf inhoudt. Op basis van dit gesprek zoekt de coördinator taakstraffen een passende werkplek in de buurt van de jongere. Hij kijkt daarbij wat de jongere wel of niet kan. Hij kijkt ook welke begeleiding de jongere nodig heeft om het werk te kunnen doen. Hij houdt rekening met school- en werktijden. Een voorbeeld van een werkstraf is afwassen in de keuken van een ziekenhuis.
Als de coördinator taakstraffen een goede werkplek heeft gevonden, komt er een kennismakingsgesprek met de werkbegeleider. De ouders mogen ook mee naar het gesprek. In het gesprek hoort de jongere welk werk hij gaat doen. De coördinator taakstraffen kijkt of iedereen met elkaar goede afspraken wil maken. Dat is nodig om de werkstraf goed te laten verlopen.
Jongere, ouders en werkbegeleider maken met de coördinator taakstraffen afspraken, over bijvoorbeeld werkdagen en andere regels. Deze afspraken en regels komen in een contract.
De jongere moet het werk doen dat de werkbegeleider opdraagt en zich houden aan de afspraken en regels die in het contract staan.
Als de jongere niet altijd naar het werk gaat, te laat komt of zijn best niet doet, vertelt de werkbegeleider dit aan de coördinator taakstraffen. Deze vraagt aan de jongere waarom hij niet goed meewerkt. De coördinator taakstraffen kan de jongere een officiële waarschuwing geven. Dit noemen we een gele kaart. Als de jongere daarna nog een keer niet goed meewerkt, is de werkstraf mislukt. De coördinator taakstraffen laat dit weten aan de officier van justitie in zijn eindrapportage.
Als de jongere het werk goed heeft gedaan en zich aan alle afspraken heeft gehouden, dan laat de werkbegeleider dit weten aan de coördinator taakstraffen. De coördinator taakstraffen zet dit in zijn eindrapportage aan de officier van justitie. De jongere is nu klaar met de werkstraf.
Met wie of wat krijgt u te maken bij een werkstraf?
Dit is een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming. Hij zoekt een plek waar de jongere gaat werken. Hij houdt tijdens de werkstraf contact met de jongere, de ouders en de werkbegeleider. De coördinator taakstraffen controleert of het werken goed gaat en de jongere zich houdt aan de gemaakte afspraken. Hij vertelt de officier van justitie of de jongere goed meewerkt.
Dit is de persoon die de jongere op het werk begeleidt. Hij vertelt wat de jongere moet doen. De werkbegeleider laat aan de coördinator taakstraffen weten of de jongere de werkstraf goed heeft gedaan.
De coördinator taakstraffen maakt met de jongere, de ouders en de werkbegeleider afspraken over het werk, zoals over werkdagen, werktijden en regels. De afspraken komen in een contract, zodat iedereen precies weet aan welke afspraken de jongere zich moet houden. De jongere en de ouders krijgen een kopie.
Als de jongere niet goed meewerkt, vertelt de werkbegeleider dit aan de coördinator taakstraffen. De jongere kan dan een officiële waarschuwing krijgen. Dit heet ook wel een gele kaart.
In de eindrapportage schrijft de coördinator taakstraffen hoe het is gegaan met het werk en de afspraken. En wat het resultaat is van de werkstraf, geslaagd of mislukt.